Esther Ottens: “Ik ben er pas geleidelijk achter gekomen wat een moeilijk vak vertalen eigenlijk is”

Ik ben 52 jaar, ik woon in Haarlem en ben getrouwd met W, die ook vertaler is, onder andere van de Grijze Jager en Broederband, maar ook van nog veel meer dingen die niets met kinderboeken te maken hebben. We zitten allebei thuis te werken, maar wel in aparte ruimtes, dus niet op elkaars lip.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik heb na school Vertaalwetenschap gestudeerd, aan de Universiteit van Amsterdam. Die studie bestaat helaas allang niet meer. Daarna ben ik begonnen met vertalen, dat was in… 1990 ongeveer. Ik begon bij een vertaalbureau, waar ik ook veel redactiewerk deed. We werkten er vooral aan reisgidsen, kookboeken, hobbyboeken – dat soort dingen. In 1999 (dat weet ik dan weer wel precies) bracht W mij in contact met uitgeverij Gottmer en mocht ik mijn eerste jeugdboek vertalen. Dat was Weggelopen van Evelyn Lau. Ik durf nu niet meer in dat boek te lezen, eerlijk gezegd. Ik ben er pas geleidelijk achter gekomen wat een moeilijk vak vertalen eigenlijk is.

WonderWelke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Ik denk Wonder van R.J. Palacio. Dat is in elk geval het boek waarover kinderen me het meest mailen, bijvoorbeeld omdat ze er een boekbespreking over willen houden. Het boek is ook verfilmd, dat scheelt natuurlijk.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Nu moet ik even voor de kast gaan staan om te tellen. Honderdvijftien. Ik geloof het eigenlijk zelf niet. En dat zijn alleen de kinder- en jeugdboeken. Er zitten wel prentenboeken bij, en een heleboel series, zoals de Wilde Kippenclub, Gossip Girl, de Kevertrilogie en de Spokenjagers.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Heel fijn vind ik het dat ik me mag onderdompelen in al die mooie, geestige, ontroerende en spannende verhalen. Ik hoef ze niet zelf te verzinnen, maar ik mag er met mijn woorden een bijdrage aan leveren. Ik leen de schrijvers mijn stem en dat beschouw ik als een groot voorrecht. En het allerfijnst is puzzelen op problemen waarvoor zich niet zo een, twee, drie een vertaling aandient.

Het minst fijne vind ik de deadlines. Soms zijn ze zo krap dat ik me meer een boekhouder voel dan een boekvertaler, precies mijn bladzijden per dag turvend, hoeveel ik morgen moet inlopen als ik gisteren en vandaag niet genoeg ben opgeschoten… Het is altijd zoeken naar het evenwicht. Als ik dit boek moet vertalen in zoveel tijd, kan ik er dan nog plezier aan beleven? Of kan ik beter nee zeggen? Het allerfijnste, het puzzelen, kost namelijk tijd, en als die er eigenlijk niet is, verandert het allerfijnste in een bron van stress.

Hoe ga je te werk?
Meestal begin ik met lezen… maar niet altijd. Soms kies ik ervoor om het boek juist niet eerst te lezen omdat ik het leuker vind niet precies te weten wat me te wachten staat. Zo maak ik het lekker spannend voor mezelf. Dit heeft wel eens als nadeel dat ik onder het vertalen het overzicht een beetje kwijtraak, maar dan maak ik gewoon de eerste versie van mijn vertaling af en lees ik het boek daarna alsnog een keer in z’n geheel in het origineel.

Eerst maak ik een soort ‘klad’.  In dat klad staan allerlei mogelijke vertalingen van woorden of zinnen, het wemelt van de sterretjes en vraagtekens, en ook zit er van alles in waar ik geen beslissing over kan nemen omdat ik nog niet weet wat ik verderop in het boek zal doen. Ik vertaal per bladzijde. Voor ik aan de volgende begin, lees ik de vorige in het origineel nog eens heel zorgvuldig door, om te checken of ik niets ben vergeten en alles wel goed heb begrepen.

Als het klad af is, laat ik het het liefst een weekje of twee liggen. ‘Sudderen’ noem ik dat. Helaas is daar niet altijd tijd voor, maar als het lukt is het fijn, want een beetje afstand nemen kan geen kwaad voor ik verderga. Of liever: opnieuw begin. Ik begin weer bij bladzijde 1 en loop de hele vertaling zin voor zin na. Dit is de fase van keuzes maken en knopen doorhakken. Ik heb het origineel ernaast om te voorkomen dat ik er al te ver van af raak. In deze fase werk ik meestal per hoofdstuk. Heb ik een hoofdstuk eenmaal helemaal met de stofkam doorgewerkt, lees ik het nog een keer door, nu zonder het origineel ernaast, zoveel mogelijk als lezer, letterlijk achterover leunend, met mijn armen over elkaar – tot ik natuurlijk ergens over struikel en zie dat het toch anders moet. Soms voel ik me aan het eind van deze fase zeker genoeg van mijn zaak om de vertaling op de sturen aan de uitgever, een andere keer zit het me nog niet helemaal lekker en lees ik de hele boel in z’n geheel nog een keer.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Ik heb een abonnement op de online woordenboeken van Van Dale, waar ook de Oxford English Dictionary bij zit. Verder gebruik ik de online Duden (Duits woordenboek) veel, en Het juiste Woord, dat nog steeds alleen in papieren vorm bestaat. Synoniemen.net staat altijd open in mijn browser. Ik kom vaak op de website van Onze Taal voor taaladvies. En in het algemeen struin ik natuurlijk het hele internet af op zoek naar de informatie die ik nodig heb om te snappen waar het in mijn boeken over gaat. Ik vind Codenaam-VerityGoogle-afbeeldingen een fantastische vinding, en Google Maps (met Streetview!) komt ook vaak goed van pas. Ik begrijp sowieso bijna niet meer hoe ik kon vertalen toen er nog geen internet was. Maar nog net zo belangrijk als altijd zijn de mensen om me heen die ergens verstand van blijken te hebben en het leuk vinden om hun kennis te delen, zoals de benedenbuurman de piloot, die me reusachtig heeft geholpen toen ik worstelde met de vliegenierskunsten van Maddie in Codenaam Verity van Elizabeth Wein.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Ik word om 7 uur wakker en begin met drie kwartier meditatie. Dan ga ik ontbijten en daarna zet ik mijn laptop aan. Ik bekijk eerst de post, die beantwoord ik zoveel mogelijk en dan ga ik aan het werk. Ik werk tot ongeveer 12.30 uur, waarna ik uitgebreid pauze neem om te lunchen en bijvoorbeeld boodschappen te doen of iets anders wat in huis moet gebeuren. Een tijdje achter de computer vandaan. Rond 14 uur ga ik weer verder. Als ik lekker opschiet stop ik om een uur of vijf, als het traag gaat, werk ik wat langer door.

Nu heb ik een dag beschreven waarop er niets geks gebeurt. Maar als je thuis werkt en geen baas hebt, komen er wel makkelijk dingen tussen. Dus vaak loopt de dag toch weer net even anders.

Welke vertaling vond je het moeilijkst?
Wit-konijn-rode-wolfHet moeilijkst vond ik absoluut Wit Konijn Rode Wolf van Tom Pollock, over de zeventienjarige Peter die aan een angststoornis leidt en op een kwade dag zijn moeder vindt in een plas bloed en er vervolgens tot zijn grote paniek ook nog achter komt dat zijn zus, zijn steun en toeverlaat, zoek is. Wat volgt is een krankzinnig verhaal over geheimen uit het verleden, waarbij niemand is wie hij leek te zijn en je je als lezer (en vertaler!) steeds afvraagt wat écht gebeurt of is gebeurd en wat uit de angstige geest van Peter voortkomt. Maar het grootste probleem voor mij was dat Peter een groot wiskundetalent is en hij voortdurend wiskunde gebruikt om grip te krijgen op de werkelijkheid. Laat ik nu helemaal niets met wiskunde hebben. Voor dit soort situaties zijn er gelukkig altijd hulplijnen. Een vriend heeft grote stukken van mijn vertaling meegelezen, me waar nodig gecorrigeerd – en een he-le-boel uitgelegd.

Wat was je grootste vertaalblunder?
Ik,-CorianderDat is een makkelijke. Inmiddels kan ik eraan terugdenken zonder dat ik het warm krijg, maar wat vónd ik het erg. W las onze dochter op een avond voor uit Ik, Coriander van Sally Gardner, dat ik jaren eerder had vertaald, toen zij er nog te klein voor was. Coriander leeft in het Engeland van de zeventiende eeuw, in de tijd van de burgeroorlog tussen de aanhangers van koning Karel I en de aanhangers van het parlement. Man en kind lagen op bed in onze slaapkamer toen ik argeloos door de gang liep en hem ineens hoorde zeggen: ‘Ik bel de dokter!’ Of woorden van die strekking. Ik zakte bijna door de grond. ‘Huh? Wát zei je?’ vroeg ik nog. Maar ik had het natuurlijk heel goed gehoord.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Wat ik echt verschrikkelijk lastig vind en ook niet zo leuk – hoewel dat niet per se met elkaar te maken heeft – zijn actiescènes. Van die scènes waarbij er van alles tegelijk gebeurt en heel veel achter elkaar en je maar voor je moet zien hoe het allemaal gaat en wie wat en hoe… In Liquidator van de vreselijk leuke Andy Mulligan (van Trash – ook verfilmd) zit een onmogelijk hoofdstuk dat zich afspeelt helemaal bovenin een theaterzaal, op die stellage waaraan de lampen hangen en zo. Een soort Cirque du Soleil krijg je dan. Uiteindelijk heb ik Andy zelfs moeten vragen om één detail voor me te tekenen, omdat ik er echt niets van snapte. ‘Ik kán helemaal niet tekenen,’ protesteerde hij, maar gelukkig deed hij toen toch een poging en dat hielp enorm.

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Mississippi-is-van-mijIk moet nu denken aan Mississippi is van mij van de Duitse schrijfster Cornelia Funke. Dit verhaal speelt zich af ergens op het Duitse platteland, wat er voor de handeling helemaal niet toe doet. Wel komen er natuurlijk allerlei zogenaamde realia in voor: verschijnselen of begrippen die horen bij een bepaald land of een bepaalde cultuur. Denk aan het eten dat mensen eten, of hoe de dingen op school in z’n werk gaan. Voor de Duitse kinderen die dit boek lezen zijn al die zaken vanzelfsprekend; ze hoeven zich niet af te vragen wat de schrijfster bedoelt omdat ze bij hun eigen leefwereld horen. Ik vind dat een Nederlands kind mijn vertaling op dezelfde manier moet kunnen lezen, dus zonder met zijn of haar aandacht te blijven haken aan iets wat het niet kent. Daarom heb ik bij dit boek de handeling zo onopvallend mogelijk verplaatst en Nederlandse realia in de plaats gezet van de Duitse. Ook de namen van de personages heb ik aangepast. Dit doe ik trouwens wel vaker, zeker als een boek ook heel goed kan worden voorgelezen. Het is vervelend als (voor)lezers struikelen over tongbrekende buitenlandse namen. Soms kan er dan geen Nederlandse naam voor in de plaats komen, maar wel een makkelijker lees- en uitspreekbare Engelse of Duitse naam. Ik heb niet héél veel ervaring met vertalen voor volwassenen, maar deze dingen heb ik daarbij in elk geval nog nooit gedaan.

Van welke schrijver zou je graag eens een boek vertalen?
Dat is een schrijver van wie ik al iets heb vertaald, maar hij is de eerste die me bij deze vraag te binnen schiet. Ik las ooit een prachtige roman van de Duitse schrijver Finn-Ole Heinrich: Räuberhände, over twee vrienden die na hun eindexamen een beetje met hun ziel onder hun arm lopen en besluiten om in Turkije op zoek te gaan naar de onbekende vader van een van de twee. Ik heb een paar uitgevers op dit boek gewezen, in de hoop Het-leven-is-een-pannenkoekdat ze het net zo mooi zouden vinden als ik en dat ik het dan mocht vertalen. Dat werd jammer genoeg niets. Veel later werd me gevraagd of ik van Finn Ole de boeken over Maulina wilde vertalen. Ik blij natuurlijk. Omdat Maulina heel leuk en lief en ontroerend en geestig is, maar ook omdat ik dacht: misschien wordt het zo toch nog eens wat met die Räuberhände. Over Maulina zijn drie boeken geschreven. Maulina’s ouders zijn gescheiden, haar vader is ergens anders gaan wonen en haar moeder is ernstig ziek en voor Mauwlien (nu maar even in het Nederlands) staat de wereld finaal op zijn kop. Het hele verhaal eindigt heel verdrietig maar ook heel hoopvol – alleen besloot de uitgever dat boeken 1 en 2 te weinig verkocht waren om boek 3 ook nog uit te geven. Dat vond en vind ik nog steeds heel vreselijk. Het verhaal van Mauwlien blijft nu voor altijd in de lucht hangen. Haar Nederlandse lezers (oké, het waren er maar een paar, maar toch) zullen nooit weten hoe het afloopt. Dus: graag deel 3 van Maulina, en dan alsnog die Räuberhände (maar alleen Maulina 3 is ook goed).

Waar werk je op het moment aan?
Op dit moment werk ik aan het nieuwe boek van Cornelia Funke. Het heet Pan’s Labyrinth en het is gebaseerd op de film van Guillermo del Toro uit 2006. Het is een fantasyverhaal dat zich afspeelt in Spanje in 1944, dat de geschiedenis van het verzet tegen generaal Franco combineert met het sprookje van prinses Moanna, dochter van de koning van het Onderaardse Rijk, die nieuwsgierig is naar de bovenwereld, ontsnapt aan haar bewakers en door de zon verblind haar geheugen verliest. Van de Duitse Cornelia Funke heb ik al een heleboel boeken vertaald, het bijzondere deze keer is dat ze het boek in het Engels heeft geschreven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s