Nan Lenders: “Het fijnste aan vertalen is het gemierenneuk met taal”

Ik las tot mijn stomme verbazing dat er mensen zijn die van jongs af aan wisten dat ze (kinderboeken)vertaler wilden worden.

Nou, ik niet.

Ik zat op het vwo en wist tot in de zesde niet wat ik nou eens zou willen studeren. Een pure alfa en dol op taal en boeken, maar toch wilde ik niet zomaar een taal gaan studeren omdat ik om me heen zag dat je daar (anno 1974) niets anders mee kon dan voor de klas gaan staan. En hoewel een school me een fantastische werkomgeving leek en lijkt, wist ik toen al dat ik niet uit de voeten zou kunnen met een klas vol adolescenten die daar helemaal niet willen zijn.

Dus ging ik naar de precomputerdecaan die vlijtig in een boekje bladerend een ‘talige’ studie vond die misschien wel wat voor mij was: Het Instituut voor Vertaalkunde (later –wetenschap) van de UvA in Amsterdam. Helaas al lang ter ziele gegaan, maar wát een feest was dat.

Bij Engels hoopte je te leren vertalen van Ko Kooman, Peter Verstegen en Cees Buddingh’. Die laatste was niet alleen ‘beroemd’, maar ook een ontzettende lieverd die het niet over zijn hart kon verkrijgen om iemand een onvoldoende te geven. Hij hielp me in het derde of vierde jaar aan mijn eerste vertaling: hij moest nog een kinderboek voor De-zilveren-merenLemniscaat doen, waar hij eigenlijk geen tijd voor had. Misschien iets voor mij? Het ging om een Engelse bewerking voor kinderen van De Kalevala, Finse mythen en sagen, door Keith Bosley, in het Nederlands uitgebracht als De zilveren meren.

Ik zal nooit vergeten dat er een belangrijk karakter in voorkwam dat Väinämöinen heette – een naam die ik zo vaak heb moeten typen op mijn mechanische schrijfmachientje dat hij er op den duur bijna automatisch uit kwam rollen – en dat ik, toen het boek af was, heb besloten dat het wellicht tóch zinvol zou zijn om blind te leren typen.

Door die vertaling kwam ik min of meer vanzelf in de kinderboekenwereld terecht. Daar ben ik een hele poos gebleven, totdat ik vond dat ik nu ook wel eens voor volwassenen wilde gaan vertalen en me daarop ben gaan toeleggen.

Een jaar of acht geleden sloeg de crisis toe, en waren er ineens veel minder vertalingen te vergeven. Ik had nog nooit zo lang hoeven te zoeken naar werk en stilaan begon de paniek toe te slaan. Ik had net besloten dat ik misschien moest proberen nog eens terug te vallen op mijn oude contacten bij kinderboekenuitgevers, toen ik out of the blue een Een-weeffout-in-onze-sterrenmail kreeg van Lemniscaat met de vraag of ik The Fault in our Stars wilde vertalen van John Green. Pas toen ik het boek had gelezen en besloten dat ik dat zéker weten heel graag zou vertalen, is mij duidelijk geworden dat er een nogal onaangenaam luchtje hing om het hoe en waarom van deze vertaling, maar daar wil ik hier liever niet over uitweiden.

Hoe dat ook zij: ik heb het boek vertaald, het was een fantastische klus van een fantastische schrijver en het werd een prijswinnende klapper vanjewelste. Ik kan wel zeggen dat Een weeffout in onze sterren tot op heden mijn succesvolste en bekendste vertaling is geweest.

De boeken van John Green zijn inmiddels verhuisd naar Gottmer, waar hij ook weer verenigd is met zijn vaste vertaalster en zo hoort dat ook. Maar helaas betekent dat het voor mij, wat John Green betreft, bij ‘de weeffout’ zal blijven.

Door dat avontuur ben ik trouwens wel weer in de kinderboeken/YA-wereld beland. De gezellige, jonge uitgeefsters van MEIS & MAAS en van Billy Bones hebben me weten te vinden en voor die laatste ben ik momenteel bezig aan Who Let the Gods out? een hilarisch boek voor kinderen vanaf twaalf jaar waarin je op zeer amusante en spannende wijze kennismaakt met de Griekse goden.

Het zal mijn tachtigste boek zijn, of daaromtrent.

Het fijnste aan vertalen is het gemierenneuk met taal. Dat heerlijke gepriegel met woorden, dat kleien met zinnen – wat wil een mens nog meer?

Daarnaast ben je helemaal je eigen baas: je bent de vertaler en hebt – bij behoorlijke uitgevers – het laatste woord. Je werkt wanneer het jou uitkomt – al is het midden in de nacht – en neemt vrij wanneer jij daar zin hebt. Het enige waar je je aan te houden hebt is je deadline, maar dat is wat mij betreft nooit een probleem geweest.

Wat minder leuk is, is dat je een soort kluizenaar wordt als je niet oppast. Het is een eenzaam beroep en daar moet je tegen kunnen – soms kon ik dat niet zo goed en was ik jaloers op mensen met (zichtbare) collega’s. Niet altijd, mind you…

Ik zal niet met toeters en bellen uitgeleide worden gedaan als ik met pensioen ga en geen hedendaags equivalent van het gouden horloge gepresenteerd krijgen, maar daar kan ik mee leven.

Een perfecte vertaling bestaat niet. Ik ben naast vertaler ook amateurschilder en heb ontdekt dat er veel overeenkomsten bestaan tussen die beide bezigheden: je kunt eindeloos blijven pielen en prutsen, maar uiteindelijk moet je het bewuste besluit nemen dat het ‘af’ is. Soms helpt het om een poosje afstand te nemen; je wordt zowel voor taal als voor kunst enigszins blind als je er te lang met je neus bovenop zit. Maar ‘klaar’ of ‘perfect’ wordt het nooit. Ik denk niet dat ik in mijn leven één schilderij of vertaling heb gemaakt waar ik, als ik er nu op terug zou kijken, niet weer van alles aan zou kunnen/willen veranderen, maar dat geeft niet.

Een aantal voorgangers in deze rubriek heeft al aangegeven dat het mooiste wat je als vertaler kan overkomen is als mensen zeggen dat ze tijdens het lezen helemaal niet in de gaten hadden dat ze een vertaling aan het lezen waren. Dán benadert je vertaling de perfectie.

Het allerlastigste om te vertalen – en ook dat is hier al eerder gememoreerd – vind ik enerzijds taaie landschapsbeschrijvingen waar maar geen eind aan komt. Paul Theroux is daar een meester in! En ‘actie’: de uitgebreide beschrijving van een ninja-achtig gevecht tussen Elizabeth, Queen of England en de demon Psycho, die ik net achter de rug heb, bijvoorbeeld. Anderhalve bladzijde lang wordt er gesprongen, gerend, gevallen, geflikflakt, gestruikeld, getold, gevlogen, geklauterd enz. enz. Om daar – zónder die handige Engelse gerund – een lopend, spannend en vooral leesbaar geheel van te maken, blijf ik lastig vinden.

Het verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen is niet dat het een moeilijker zou zijn dan het ander, maar zit hem vooral in het feit dat je bij kinderboeken enigszins beperkt wordt in je woordkeus. Wat het vertalen van kinderboeken dus eigenlijk extra moeilijk maakt. Hoewel je een gigantisch vocabulaire tot je beschikking hebt, kun je daar niet vrijelijk uit putten omdat je rekening moet houden met de leeftijd van je lezers. Dat was ook een van de redenen waarom ik op zeker moment heb besloten om over te stappen op volwassenenliteratuur: het leek me heerlijk om eindelijk eens alle remmen los te gooien en gewoon het mooiste woord te kiezen dat bij me opkwam zonder rekening te hoeven houden met het begripsniveau van de lezer. Heerlijk!

Twee schrijfsters zou ik dolgraag willen vertalen: Tony Morrison en Sue Monk. Helaas hebben ze allebei al uitstekende vertalers…

Ik geef sinds vorig jaar les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Als je voor zo’n groep van enthousiaste mensen staat die niets liever willen dan literair vertalen, word je gedwongen om allerlei zaken die je ondertussen bijna automatisch doet, nader te beschouwen en te beredeneren. Dan blijkt dus ook dat allerlei dingen waar jij erg aan gehecht bent, voor met name de twintigers en dertigers in de groep helemaal niet meer zo logisch zijn en dat je misschien je adagio ‘als vertaler ben je ook conservator van de Nederlandse taal’ enigszins zult moeten bijstellen.

Ik blijf vinden dat ‘zich beseffen’ en ‘zich ergens aan irriteren’ absoluut niet kan, maar geldt dat ook voor ‘hoe… hoe…’ in plaats van ‘hoe… des te…’ of voor ‘wat als?’ in plaats van ‘stel dat…?’

Taal is in beweging, maar hoe snel en in welke mate moet je daar als vertaler in meegaan?

Wat me in elk geval ook duidelijk is geworden, is dat we voorlopig als literair vertalers niets te duchten hebben van computervertalingen. Wordt de les soms wat saai en ernstig, dan hoef je maar een paar door de computer vertaalde fragmenten uit te delen en de boel is zo weer opgevrolijkt.

Dus, nee, ik maak me geen zorgen over computervertalingen; voorlopig zijn wij pietluttige, woordkleiende, taalliefhebberige (kinder)boekenvertalers nog heel hard nodig!

Mariella Manfré: “Eigenlijk ben ik de hele dag boeken en strips aan het lezen. Wat wil je nog meer?!”

Ik ben 54 jaar en woon gedeeltelijk in Nederland (Kudelstaart), gedeeltelijk in Frankrijk (Lormes), waar we dit jaar een huis hebben gekocht. Vertalen kan natuurlijk overal, als je maar goed internet hebt. Lang leve glasvezelkabel! Ik heb geen vertaalopleiding gedaan, maar Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam en ben daarna het vak ingerold van (eind)redacteur in de tijdschriftenbranche. Ik vertaal voornamelijk strips, maar ook steeds meer boeken.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Minecraft-handboek-voor-beginnersTot eind 2013 was ik chef redactie bij de jeugdbladen van Sanoma, waaronder Donald Duck en Tina. Na de reorganisatie daar bleek het makkelijker om vertaalwerk te vinden dan redactiewerk. In het begin heb ik nog wel wat gefreelancet als redacteur, maar nu vertaal ik bijna alleen nog maar. Dat had ik veel eerder moeten gaan doen!

Mijn eerste boek was Minecraft – Handboek voor beginners.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Ik denk dat die Minecraft-boeken (ik heb er inmiddels nog wat meer vertaald) onder de jeugd wel heel bekend zijn. Qua strips is het waarschijnlijk Roodbaard. Die kent toch iedereen?

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Met Minecraft-boeken en prentenboeken meegerekend 42. En een héleboel meer strips. Ik heb ze eens nageteld en het zijn er bijna driehonderd… Daar schrok ik best wel een beetje van.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Ik vind het heerlijk om creatief bezig te zijn en met taal te spelen. Eigenlijk ben ik de hele dag boeken/strips aan het lezen. Wat wil je nog meer?! Eigen baas zijn vind ik ook erg prettig. Dat je niet direct en dagelijks contact hebt met collega’s, zie ik als het grootste nadeel. Gelukkig zijn er online de Vertalerskoffiehoek en de Boekvertalerslijst, die maken veel goed. En kater Stitch vindt het ook wel gezellig dat ik thuis werk!

Mariella-Manfré-Stitch

Hoe ga je te werk?
Boeken lees ik meestal eerst, de strips niet. Vervolgens maak ik een grove vertaling. Dan print ik die en leest mijn man Hans alles na en maakt aantekeningen op papier. Ik lees die versie dan ook op papier en voer daarna de wijzigingen door. Dan weer een schone print die we meestal allebei nog een keer lezen, waarna we eventuele problemen en/of puzzels bespreken.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Van Dale Online, het internet in het algemeen om allerlei research te doen en vooral synoniemen.net en het Combinatiewoordenboek. Soms gebruik ik de vertaaltool MemoQ.

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Een boek moet naar mijn idee in eerste instantie lekker lezen, maar ik vind het ook belangrijk om trouw te blijven aan het origineel. Het is toch de creatie van iemand anders en daar kun je niet zomaar mee aan de haal gaan.

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Sam-Breker-en-het-gevecht-van-de-superschurkenHet dit jaar verschenen Sam Breker en het gevecht van de superschurken was echt zó leuk om te vertalen. Het speelt zich af in een ‘super’wereld en gaat over een jongen wiens ouders superschurken zijn, maar zelf is hij eigenlijk gewoon een goedzak. In dit boek moet hij leren om een superschurk te worden. Het leuke eraan was dat het volstond met rare, grappige namen en daar moesten we Nederlandse alternatieven voor verzinnen. Heel melig werden we daarvan. Wel fijn als je dat soort dingen met z’n tweeën kunt doen!

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
Hier zie je de stamboom van de familie van Sam Breker in het Engels en in het Nederlands. Ik ben wel blij met wat we ervan gemaakt hebben!

Villains ENG

Villains NL.jpg

Wat was je grootste vertaalblunder?
Ergens in het begin heb ik een keer een heel grote opdracht aangenomen die ik uiteindelijk helemaal niet aankon. Ik schaamde me dood, maar ik moest de opdracht echt teruggeven. Waardoor ik de uitgever natuurlijk met een probleem opzadelde. Gelukkig zijn we even goede vrienden gebleven. Het voordeel ervan was dat ik goed ben gaan bijhouden hoelang ik over vertalingen doe, zodat ik beter kan plannen. Wel vind ik het nog steeds heel moeilijk om nee te zeggen tegen een opdracht, want het ene is meestal nog leuker dan het andere. Ach ja, in het weekend doorwerken zie ik over het algemeen niet als straf.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Wat ik heel lastig vind, en wat mijn plezier in het vertalen behoorlijk kan verzieken, is wanneer je een te vertalen manuscript krijgt dat niet, of slecht, geredigeerd is. Ik kan dan zó afgeleid worden door alle fouten en inconsequente dingen die erin staan. Bovendien ben ik dan soms te veel bezig met alles recht breien in plaats van waarmee ik bezig zou moeten zijn: het vertalen.

Is er verschil tussen vertalen uit het Engels en vertalen uit het Frans?
Het grappige is dat ik heb gemerkt dat ik het soms heel moeilijk vind om uit het Engels te vertalen, omdat veel Engelse woorden zo bekend en ingeburgerd zijn dat ik vaak met geen mogelijkheid op de Nederlandse termen kan komen.

Wat zijn de verschillen tussen het vertalen van stripboeken en leesboeken?
Bij stripboeken komt er de extra puzzel bij dat de tekst in het tekstballonnetje moet passen. En soms is dat echt héél moeilijk. Vooral als er één woordje in een tekstballon staat, bijvoorbeeld ‘soon’ of ‘easy’. Je kunt echt niet iedereen ‘Eitje!’ laten zeggen… En veel van de strips die ik vertaal komen uit het Frans en Fransen zijn meesters in woordspelingen. Ook leuk puzzelen.

Een ander groot verschil is dat je veel langer doet over het vertalen van een boek dan over een strip. Een strip vertalen kost me gemiddeld een à twee dagen, afhankelijk van het aantal pagina’s en de moeilijkheidsgraad, en dat lukt met een boek natuurlijk nooit! Daardoor is strips vertalen heel afwisselend. Zo kan het gebeuren dat ik me de ene dag in een sterrenstelsel hier ver, heel ver vandaan bevind, en de volgende in Equestria.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
De Hart van inkt-serie van Cornelia Funke. Wat een heerlijke fantasiewereld werd daarin geschapen! Maar ja, mijn Duits is niet zo best…

Welk boek dat nog niet vertaald is, wil je graag vertalen?
strigesIk heb vorig jaar een thriller vertaald uit het Italiaans van Barbara Baraldi, en zij heeft ook een aantal YA-boeken geschreven. Die heb ik nog niet gelezen, wel in de kast staan, maar het lijkt me heel leuk om die boeken van haar ook te vertalen. Ze schrijft heel goed en haar boeken worden in Italië goed ontvangen, dus ik heb er alle vertrouwen in. Bovendien had ik heel prettig contact met haar tijdens het vertalen van Aurora nel Buio, dus het lijkt me leuk om vaker samen te werken.

Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Mailen, mailen en nog eens mailen. Nou ja, dat was vooral in het begin. Inmiddels heb ik zo mijn ‘vaste’ opdrachtgevers en altijd wel genoeg te doen.

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, daar ben ik echt niet bang voor. Kijk maar naar de pagina die ik als ‘Try this at home’ heb meegegeven. Daar kan een computervertaling vast geen chocola van maken.

Hoe zou de wereld eruitzien zonder kinderboekenvertalers?
Daar moet je toch niet aan denken?! Natuurlijk zijn er genoeg heel goede Nederlandse jeugdboekenschrijvers, en De Brief voor de Koning zal altijd een van mijn lievelingsboeken blijven, maar het zou toch jammer zijn als we Nederlandse kinderen de boeken van Enid Blyton zouden moeten onthouden of van Astrid Lindgren of van Cornelia Funke… En Harry Potter dan?! Nee, dat zou een heel sombere wereld worden.

Waar werk je op het moment aan?
De vertaling van deel 2 van ‘Sam Breker’ moet 1 december ingeleverd worden, en er staan deze keer nóg meer gekke namen en termen in, dus daar ben ik nu mee aan het puzzelen.

Wat lees je in je vrije tijd?
Het liefst jeugdboeken en fantasy. De laatste tijd probeer ik meer Nederlands te lezen, om mijn woordenschat uit te breiden en ook om te kijken hoe collega’s dingen aanpakken natuurlijk. Ik ben net begonnen met De wetten van de magie-serie van Terry Goodkind, daar ben ik nog wel even zoet mee, denk ik.

Dorette Zwaans: “Als je goed wilt kunnen vertalen, moet je vooral veel lezen!”

Ik ben Dorette Zwaans, 47 jaar oud. Ik heb op de universiteit geleerd voor vertaler Italiaans (Italiaanse taal- en letterkunde, master in Vertaalwetenschap). Daarna heb ik in Italië gestudeerd om de taal nog beter te leren spreken en schrijven, vooral op gebied van wetten en regels.

Toen ik op de basisschool zat, wilde ik schrijfster worden en schreef ik schriften vol verhalen. Ik tekende er ook zelf de plaatjes bij. Dat is nu uiteindelijk een beetje gelukt door te gaan vertalen. In zeker zin schrijf je een verhaal een beetje opnieuw.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Als betaald vertaler ben ik meteen na mijn studie begonnen. Wat de eerste vertaling was? Geen idee. Waarschijnlijk iets heel saais zoals een jaarverslag van een bedrijf of een contract.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Help,-het-regent-stenen!Mijn vertalingen in de serie De Oerknagers van Geronimo Stilton zijn misschien de bekendste.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Een stuk of 50?

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Het is heel fijn om mooie boeken te lezen en daar iets moois nieuws van te maken waar Nederlandse lezers van kunnen genieten. In vind het heerlijk om in mijn hoofd te zitten en na te denken over woorden en zinnen. Het minst fijne is dat ik moeilijk kan stoppen als ik eenmaal bezig ben en van al dat zitten en typen krijg ik behoorlijk rugpijn.

Hoe ga je te werk?
Ik sla het boek open en begin gewoon. Bijna nooit lees ik van tevoren het hele boek, alleen prentenboeken. Wel zoek ik informatie op over de schrijver en het verhaal in de brontaal. Gaandeweg kom ik erachter welke toon voor het boek het beste is. Ook houd ik lijstjes bij van namen en bepaalde woorden die vaak terugkomen.

Eerst vertaal ik heel snel, ik typ terwijl ik lees. Daarna werk ik mijn vertaling deel voor deel uit tot mooi Nederlands. Zo’n eerste vertaling is vaak tenenkrommend, pas in de tweede of derde versie ben ik langzaamaan tevreden. Ik lees mijn vertalingen daarna nog wel 2 of 3 keer door. Als je aan een groot project werkt, zoals een roman voor volwassenen, is het handig om met z’n tweeën te werken. Dan kun je elkaars werk lezen en van commentaar voorzien en samen nadenken over lastige keuzes.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Ik werk het liefst met een boek in pdf-formaat. Dan werk ik met 2 computerschermen: op het ene het origineel op het andere mijn vertaling. Op de achtergrond heb ik internet openstaan met diverse woordenboeken: Italiaans-Nederlands, Italiaans-Italiaans, Nederlands, het groene boekje, synoniemen en antoniemen, de Dikke Van Dale. Maar ook andere internetpagina’s en Wikipedia raadpleeg ik veelvuldig. Meer zelfs dan woordenboeken, die gebruik ik alleen om een zoekingangetje te vinden voor het juiste woord en leveren bijna nooit de eindvertaling op.

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Die bestaat niet. Als je je eigen vertaling terugleest, zou je altijd dingen weer anders doen.

Een vertaling die de perfectie enigszins benadert, is een vertaling die voor de lezer op dat specifieke moment hetzelfde gevoel oproept als het origineel bij de buitenlandse lezer, waarbij de lezer niet doorheeft dat hij een vertaling leest.

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
MaffiajongenMijn vertaling Maffiajongen van de Italiaanse schrijfster Luisa Mattia. Zij won in Italië een prijs met dit boek. Ik heb het boek niet alleen vertaald, maar ook zelf uitgegeven en het werd goed ontvangen. Daar ben ik best trots op.

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Aan de vertaling van Scrooge, een kerstverhaal. Ik kon de toon voor dat boek niet goed vinden, ondanks dat ik het al vanaf mijn kindertijd Scroogeeen geweldig verhaal vind. Ik keek het bijna iedere kerst op tv en griezelde telkens weer bij de geesten die verschenen. Nadat ik met mijn gezin een interactieve theatervoorstelling van dit verhaal bijwoonde, die bestond uit een stadswandeling waarin je het verhaal echt zelf beleefde, ging het ineens als een trein.

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
Toen ik een stuk jonger was, won ik een vertaalprijs voor jonge vertalers met een aantal vertaalde gedichten. Over een paar van die gedichten ben ik nog steeds erg tevreden.

Ook sommige namen van personages die ik verzin, doen mij nog steeds gniffelen als ik ze tegenkom, zoals de Viking-waarzegger Wistik A’Lang uit de Noormuizen.

Welke vertaling vond je het moeilijkst?
De gedichten waarvoor ik de prijs won.

Wat was je grootste vertaalblunder?
Ik had een boek met veel plaatjes erin vertaald. De namen van de personages waren allemaal een beetje raar. Zo was er een burgemeester met een naam waaruit je niet kon afleiden of het een vrouw of een man was. Omdat het Italiaanse woord voor burgemeester mannelijk is, is in de taal alles wat bij dat personage hoort ook mannelijk. Dus ik verzon een Nederlandse mannennaam. Toen ik het boek gedrukt en wel met mijn zoontje las, vroeg die op een gegeven moment waarom die burgemeester een jongensnaam had. Ik: ‘Een burgemeester is een man.’ Mijn zoontje, plaatjes kijkend: ‘Maar waarom heeft hij dan hakschoenen aan?’

Ik kon wel door de grond zakken. Sindsdien kijk ik heel goed naar de plaatjes.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
Sostiene Pereira van Antonio Tabucchi. Toen ik net afgestudeerd was, kwam dat boek uit. Ik prees het aan bij verschillende uitgevers, maar niemand wilde het uitgeven. Vorig jaar zag ik ineens dat het toen in het Nederlands was verschenen, zo veel jaar later. Daar baalde ik van.

Ik vind het nog altijd een prachtig boek dat ik graag zelf had vertaald.

Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Door ze te bellen of te mailen en te laten zien wat je al vertaald hebt. Dat moet dan wel ook bij het fonds van die uitgeverij passen. Makkelijk is het niet. Je moet er een beetje geluk mee hebben om ertussen te komen.

Hoe zou de wereld eruitzien zonder kinderboekenvertalers?
Er zouden heel veel mooie boeken niet gelezen kunnen worden door Nederlandse kinderen, en veel prachtige Nederlandse boeken niet door kinderen in andere landen.

Waar werk je op het moment aan?
Een roman voor uitgeverij Xander en 2 boeken voor Geronimo Stilton. Een over prinsessen en een echte klassieker: De bende van de zwarte pijl (Black arrow).

En als vrij werk vertalingen van een aantal verhalen uit de Griekse mythologie die ik in een kinderboek wil samenvoegen. Hopelijk wil iemand dat dan uitgeven.

Wat lees je in je vrije tijd?
Van alles, van prentenboeken tot jeugdliteratuur, (literaire) romans, detectives en vakgerichte boeken over vertalen en jeugdliteratuur. Als je goed wilt kunnen vertalen, moet je vooral veel lezen!

Sandra Hessels: “Machines vertalen lineair, zonder fantasie. En juist die heb je nodig als je boeken vertaalt”

Eigenlijk zou ik Duits gaan studeren in Leiden. Want ik was er als halve Oostenrijkse goed in en dat vak had in die tijd een geweldige baangarantie, vooral in het onderwijs. Algauw besefte ik dat Duits niet was waar mijn hart lag. Het onderwijs ook niet, overigens. Na een tussenjaar volgde ik mijn eigen gevoel en koos ik voor Engelse taal- en letterkunde. Ik wilde graag vertalen, maar dan wel boeken… alleen wist het loopbaancentrum daar niet veel raad mee. Na mijn studie vond ik een baan als redacteur bij een tijdschriftenuitgever, en daar ben ik in vijf jaar tijd ook in-house vertaler, bureau-, eind- en hoofdredacteur geweest. En in die tijd begon ik eigenlijk met heel veel geluk aan mijn eerste boekvertalingen, voor uitgeverij Big Balloon.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
De-betovering-begintIn 2006 kwam mijn eerste boekvertaling uit, De betovering begint van de tv-serie Charmed. Ik was helemaal dol op die serie, en dus ook maar wat trots dat ik daar een boek van mocht vertalen. Er volgden er gelukkig nog meer, en ook verhalenbundels en een Episode Guide waar ik al mijn opgedane kennis en fangirling heerlijk in kwijt kon.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Waarschijnlijk The Lunar Chronicles van Marissa Meyer, al hoop ik dat de boeken van David Baddiel dan Cinderop plek twee staan. Of de drie boeken van De monstersnackbar van David O’Connell.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ik zit al over de 130 heen, voornamelijk dus kinder- en jeugdboeken en Young Adult-titels, met een handvol non-fictie en boeken voor volwassenen erbij. Daarvan heb ik drie kinderboeken vanuit het Duits vertaald, waar ik ook echt trots op ben. En daarnaast heb ik voor een reeks zaklamp-zoekboeken verhalen mogen schrijven. Daarvan zijn er momenteel tien verkrijgbaar.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Het fijnst aan dit werk is elke keer weer in een andere wereld kunnen rondwandelen, personages leren kennen en hun verhaal vertellen. (Daar steek ik voor mijn eigen schrijfsels ook veel van op.) Spelen en stoeien met taal, een woordgrap goed vertalen of slim vervangen, leuke Nederlandse namen bedenken voor personages; het is heerlijk werk om te doen.

Het fijnst aan het thuiswerkaspect van de baan is dat ik mijn tijd zelf kan indelen, dat ik gewoon thuis ben en in de eerste plaats (of een gedeelde eerste plaats) moeder kan zijn.

Het minst fijn is dat de planning in de praktijk niet altijd die op papier volgt. O, en wat ik ook zo vreselijk vind: nee moeten zeggen tegen een leuke klus omdat er nog steeds maar zeven dagen in de week zitten. En administratie. En met ijskoude handen tikken. En als er foutjes in de definitieve tekst zijn blijven staan, of erger nog: als ze er pas later in zijn gekomen. Brr.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Mijn door-de-weekse-werkdag volgt het schoolritme. Ik werk als de kinderen op school zitten, ’s ochtends en soms ook ’s middags, en ik ga ’s avonds verder zodra ze liggen te slapen. En ’s weekends pik ik ook nog een uurtje hier en daar mee als dat qua deadlines nodig is. (En dat is het vrij regelmatig.)

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
Charlie-en-ikIk weet niet of tevreden het juiste woord is, maar ik ben wel heel trots op Charlie en ik van Mark Lowery. Een verhaal over een jongen die het verlies van zijn jongere broertje probeert te verwerken, onder andere door gedichten te schrijven. Allerlei soorten gedichten die ook te maken hebben met wat er in dat hoofdstuk speelt en door zijn hoofd gaat. Dat was een geweldige uitdaging, en volgens mij zijn ze goed gelukt.

Welke vertaling vond je het lastigst?
Wie weet ken je Wat een pech, mijn naam is weg, een gepersonaliseerd kinderboek waarin de letters van de naam van een kind bijeengepuzzeld worden tijdens een zoektocht. Daarvoor moest ik heel veel korte verhaaltjes vertalen, waarbij gelet moest worden op rijm, metrum, toon, boodschap, zinslengte en de verhalen moesten kloppen met de afbeeldingen. Hartstikke leuk om te doen, maar het kostte enorm veel tijd. Veel Nederlandse woorden tellen nu eenmaal meer lettergrepen dan hun Engelse equivalent en het Engels is veel speelser met eindrijm en klankrijm, synoniemen, homoniemen en zinsvolgorde. Je kunt bijna nooit alles uit het origineel meenemen; something’s gotta give. Helaas begreep de opdrachtgever dat niet altijd, en dan ben je uiteindelijk veel meer heen en weer aan het mailen en je keuzes aan het verdedigen dan dat je met de vertaling bezig bent.

Wat was je grootste vertaalblunder?
Olivier-en-de-dwaaleilandenHaha, niet echt een blunder, maar in Olivier en de dwaaleilanden wordt een verloren stad genoemd die Propacopaketl heet, zogenaamd iets Azteeks. Pas toen de Hongaarse vertaler vroeg wat ik van een paar termen in dat boek had gemaakt, viel het kwartje: proper copper kettle. Daar kon ik tegen die tijd helemaal niks meer mee, dus in ons boek is het de Verloren Stad Propacopaketl gebleven, wel met die Azteekse sfeer. (Het kwam ook wel helemaal een keer voor in het hele boek.)

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
Harry Potter! Maar in die tijd werkte ik nog niet als vertaler. Julius Zebra van Gary Northfield was leuk geweest; mijn zoontje is dol op de boeken, en Northfield is ook nog een goede vriend en studiogenoot van Sarah McIntyre, van wie ik vier boeken heb vertaald die ze samen met Philip Reeve heeft geschreven en geïllustreerd. Van haar had ik ook heel graag haar nieuwe prentenboek, The New Neighbours, willen doen.

En het komt zo af en toe voor dat je gevraagd wordt voor een klus die je echt niet kunt inplannen binnen de gewenste, vaak vrij korte termijn. Daar zitten ook zeker wel titels bij waarvan ik het echt ontzettend balen vind dat ik ’s nachts toch gewoon moet slapen en zo.

Van welke schrijver zou je graag eens een boek vertalen?
Ik ben al jaren fan van Anne Rice’ The Vampire Chronicles, dus dat lijkt me op zich heel gaaf. Maar wel heel veel en tijdrovend werk, want ze is nogal van uitvoerige, wollige beschrijvingen en verwijzingen en zo. Kate Morton lijkt me ook fantastisch om te doen. En ik had na de eerste twee delen ook heel graag het slot van de Mara Dyer-trilogie van Michelle Hodkin nog vertaald, en de inmiddels nieuwe trilogie over Mara’s vriendje Noah erachteraan…

Welk boek dat nog niet vertaald is, wil je graag vertalen?
The-Truth-PixieThe Truth Pixie van Matt Haig lijkt me geweldig, vooral ook omdat het boek een belangrijke boodschap voor kinderen bevat. (Maar ik zag dat ik niet de eerste ben die die titel noemt!) De serie The Uncommoners van Jennifer Bell lijkt me ook nog steeds een heerlijke klus; die serie heeft een behoorlijke Harry Potter-vibe. En de boeken van Sinéad O’Hart of de Nine Lives-trilogie van E.R. Murray.

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Dat kan ik me bij fictie en lange stukken tekst met innerlijke samenhang en verwijzingen naar dingen (ver) buiten de tekst niet voorstellen. Ik zie soms stukjes marketingtekst van collega’s voorbijkomen die door machines vertaald zijn, en de computers worden er wel steeds een beetje beter in, maar machines kunnen niet tussen de regels door lezen, verwijzingen begrijpen of woordgrapjes meenemen. Ze vertalen lineair, zonder fantasie. En juist die heb je nodig als je boeken vertaalt.

Waar werk je op het moment aan?
Tegen de tijd dat dit online staat, zou ik Bravelands boek drie (mijn eerste vertaling uit die serie) net af moeten hebben en ben ik nog bezig met een spannende Young Adult. (Denk: moord, drugs, geld en de sores van twee jongens die uit elkaar zijn maar nog van alles voor elkaar voelen. Het is op zich geen geheim, maar de Nederlandse titel is nog niet bekend.) Daarna mag ik verder met het volgende boek van David Baddiel!

Wat lees je in je vrije tijd?
Van alles, maar lang niet zo veel als ik zou willen… Momenteel vooral veel kinderboeken, omdat ik ze voorlees voor het slapengaan en omdat ik ze af en toe recenseer (ik hou van boeken, had ik dat al gezegd?), maar ik zou dolgraag ook weer eens in een Agatha Christie willen duiken. Gewoon zomaar.

Andrea Kluitmann: “Het is creatief en uitdagend werk zonder dat je er wanhopig van wordt”

Als ik een jongen was geworden, dan hadden mijn ouders me Corneel genoemd. Na drie zoons hadden ze daar wel op gerekend, op een Corneel. Dat was een rare naam geweest in het Duitse stadje waar ik ben opgegroeid. Andrea was in Duitsland in de jaren ’60 en ’70 echt een modenaam, net als Birgit, Claudia, Susanne of Sabine. Mijn vader was Nederlands, maar in de grensstreek waar we vandaan komen had hij op een Duitse school gezeten. Ik had niet eens door dat hij nog een andere taal sprak.

Wij zijn dan ook niet tweetalig opgevoed, maar spraken thuis alleen maar Duits. Ons huis stond drie kilometer bij de Nederlandse grens vandaan, we haalden koffie, shag, boter en frikandellen in ’s-Heerenberg. En mayonaise in oranjekleurige emmertjes, dat bestond in Duitsland niet. Als kind zag ik Nederland niet echt als een vreemd land met een eigen taal.

Dat veranderde meteen toen ik na het Duitse atheneum min of meer toevallig voor negen maanden naar Nederland ging en best veel verstond, maar bijna niets kon zeggen. Ik leerde de taal razendsnel en dat leren vond ik geweldig.

Als ik toevallig in Istanbul of Tokio was beland, had ik Turks of Japans geleerd. Ik voelde geen bijzondere liefde voor de Nederlandse taal, nog steeds niet, eerlijk gezegd, al maak ik voor het gesproken Vlaams graag een uitzondering. Als literatuurliefhebber begon ik uiteraard zodra het kon ook Nederlandse literatuur te lezen.

Dat beviel helemaal niet, de meeste bejubelde boeken deden me weinig en sommige vond ik ronduit slecht. Nu moet ik daar meteen bij zeggen dat ik schrijvers als Gerard Reve, Karel van het Reve, Maria Dermout, Elsschot of Hermans nog niet kende; mijn eerste stappen zette ik aan de hand van de romans die in die tijd in hoge stapels in de boekwinkels lagen. De Duitse moderne literatuur vond ik zonder enige twijfel van veel betere kwaliteit. Toen ik het hierover met een Nederlandse collega had, zei ze dat ik eens kinderboeken zou moeten proberen.

Inderdaad, een voltreffer, wat een niveau! Joke van Leeuwen, Annie M.G. Schmidt, wat was dit onbetamelijk goed.

Intussen had ik mijn studie Duitse taal- en letterkunde (in het Duitse Bochum en in Amsterdam) afgerond en moest iets worden. Als student werkte ik al als vertaler bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB), en ik vroeg me af of ik niet misschien Nederlandse kinder- en jeugdboeken kon gaan vertalen.

Nou, dat kon niet, althans in het begin niet. Ik stuurde een proefvertaling van een verhaal van Annie M.G. Schmidt aan een uitgever die me uitlegde dat de Duitse tekst niet leefde en waarschijnlijk veel te letterlijk vertaald was. Dat klopte helemaal, al zag ik dat zelf natuurlijk niet. Toen ging ik kijken hoe anderen het deden, nam deel aan talrijke workshops en deed jaren later nog een poging, dit keer met succes.

In 1994 begon ik met het vertalen van kinder- en jeugdboeken, naast mijn vaste vertaalbaan bij de SVB die ik in 2007 opzegde. Sindsdien ben ik helemaal freelancer. Ik vertaal ook zakelijke teksten en romans, en geef Duitse les aan auteurs en andere mensen uit het culturele leven. Ik woon samen met mijn ook freelancende vriend (vertaler en ondertitelaar) in een geweldig woon- en werkpand: Nautilus op het Zeeburgereiland in Amsterdam. Daar wonen ook meer dan zestig kinderen, waarvan de meeste overigens helaas niet lezen.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Poppe-und-BeerMijn eerste vertaling was Poppe en Beer van Jos Lammers, in 1995 verschenen bij Anrich Verlag.

Uitgever Gerold Anrich (1942-2013) was een van de eerste Duitse uitgevers die Nederlandse en Vlaamse kinder- en jeugdboeken ontdekte. Bij hem verschenen ook prachtige boeken van Paul Biegel, Harm de Jonge, Selma Noort, Anne Provoost, Wouter Klootwijk, Sjoerd Kuyper, Jan de Zanger en vele anderen.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Gips
Dat zal Gips zijn, van Anna Woltz, dat ook in Duitsland veel prijzen heeft gewonnen. De leukste was misschien wel de ‘Katholischer Kinder- und Jugendbuchpreis’, uitgereikt in het Erzbischöfliche Palais in Wenen. Anna was hoogzwanger en deed haar dankwoord per video. Ik deed het mijne live. Aan het einde verzocht ik iedereen om voor een foto voor Anna een tijgermasker op te zetten (zie beneden). Dat was een belangrijk voorwerp in het boek. Bisschoppen en kardinalen met zo’n maskertje op, ik vond het wel bijzonder!

Tijgermaskers -Deutsche Bischofskonferenz
Deutsche Bischofskonferenz

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Een kleine honderd.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Vertalen verveelt me nooit en heel vaak raak ik een flow. Ik vergeet de tijd en de wereld om me heen, erg prettig. Het is creatief en uitdagend werk zonder dat je er wanhopig van wordt. En – misschien klinkt dat raar, maar dat moet dan maar – ik ben er erg goed in, dat voelt prettig. Heel fijn is ook de omgang met collega-vertalers en mensen uit de letterenwereld. Op de een of andere manier kom je, bijvoorbeeld op borrels, meestal heel gauw tot een soort kern. De gesprekken gaan ergens over en je kunt ook vaak lachen.

Het minst fijne vind ik dat het een zittend beroep is, zeker als ik veel te doen heb beweeg ik te weinig. Verder is de betaling een vervelend aspect, en dan wel écht vervelend. In Duitsland heb je geen geweldige instantie als het Nederlands Letterenfonds (er is subsidie, maar in veel mindere mate) en kinderboeken worden veel slechter betaald.

Heel concreet: voor mijn vertaling van een boek van Arnon Grunberg ontving ik 23 euro per normpagina plus royalty’s vanaf het eerste exemplaar, voor veel kinderboeken is dat 16 euro en royalty’s vanaf 15.000 exemplaren, maar dat haal je dus bijna nooit. Ik hoef hier misschien niet uit te leggen dat het vertalen van boeken voor volwassenen niet per definitie moeilijker is of meer tijd kost dan het vertalen van boeken voor kinderen.

Ik maak veel uren per week. Nu vind ik dat helemaal niet erg, behalve als ik aan later denk; fatsoenlijk betaald werk zou net dat verschil kunnen maken tussen een taxi nemen naar het museum, tussen een slechte scootmobiel waar je bij het remmen makkelijk van af valt en je heup breekt en zo’n solide gevaarte met extra wielen. Maar ja, wie weet hoe oud je wordt. De afgelopen twee jaar zijn twee van mijn broers aan kanker overleden, reden voor mij om nú fijn te leven en heel weinig aan scootmobiels te denken.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Ik word wakker zonder wekker, meestal vrij vroeg, maar soms niet en dat is het ook goed. Ik ga in badjas en met een kop koffie aan tafel zitten en begin onmiddellijk met vertalen. Soms gebruik ik daarvoor trouwens ‘Dragon Naturally Speaking’, een spraakherkenningsprogramma. Met name passages met veel dialoog of toneelteksten worden daar volgens mij beter van, ik maak op die manier eerste versies, die zich loszingen van de originele tekst en goed klinken.

Voor het ontbijt om een uurtje of twaalf heb ik al vrij veel gedaan. Soms moeten er leesrapporten worden geschreven. Dat doe ik nooit ’s ochtends, daar heb ik een flinke aanloop voor nodig. Het lezen van de te beoordelen boeken doe ik ’s avonds en bij echt goede boeken ook ’s ochtends in bed, maar overal waar ben maak ik aantekeningen.

Regelmatig heb ik ook afspraken buitenshuis. Ik geef Duitse conversatieles aan auteurs die in Duitsland gaan optreden of writer in residence worden etc. En soms ga ik naar vergaderingen (samen met vertaalster Nicolette Hoekmeijer en Hanneke Marttin van het Letterenfonds organiseer ik elk jaar de Vertalersgeluktournee).  Ik zit ook in de redactie van VertaalVerhaal.

In elk geval zorg ik voor afwisseling. Ik hou er ook van om ’s ochtends aan een boekvertaling te werken en ’s middags (en soms ook ’s avonds) aan een zakelijke tekst.

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Birnbäume-blühen-weiss
De vertaling van Perenbomen bloeien wit van Gerbrand Bakker was voor mij een heel mooie belevenis. Intussen ben ik goed bevriend met Gerbrand, maar toen ik het boek vertaalde had ik hem nog nooit ontmoet. Ik ging zitten, las zijn Nederlandse zinnen en hoorde in mijn hoofd onmiddellijk een Duitse stem. Ik hoefde het alleen maar op te schrijven. Dat neemt niet weg dat je na afloop heel scherp corrigeert en samen met een redactrice nog tot hele andere oplossingen komt, dat doe je altijd; maar die eerste versie ontstond op een bijzonder intuïtieve manier.

Erg fijne herinneringen heb ik ook aan Mijn bijzonder rare week met Tess van Anna Woltz, gewoon omdat het zo’n ontzettend goed boek is. Daar staat eigenlijk alles in waar het in de literatuur over gaat, waar het in het leven over gaat.

Das-indonesische-GeheimnisEn Sleuteloog van Hella Haasse! Een prachtige roman die ik samen met collega Birgit Erdmann heb vertaald. Voor de allerlaatste versie zijn we een week in een Oostenrijks dorpje bij elkaar gekomen. Heel stil, heel zonnig, met koeien en jonge poezen. Vrolijk en sereen was de sfeer.

Welke vertaling vond je het moeilijkst?
Sleuteloog van Hella Haasse. Duitse lezers hebben een totaal ander kennisniveau, wat gevolgen heeft voor een tekst die speelt in Nederlands Indië.

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
Mister-Twister-und-das-verflixte-Klassenzimmer
In Mees Kees. Een pittig klasje van Mirjam Oldenhave legt Mees Kees uit waarom het belangrijk is om woorden goed van elkaar te scheiden. ‘Jemo Etan der Slezen’ schrijft hij op het bord en dat is ook de titel van een hoofdstuk. Als je de letters op een andere manier van elkaar scheidt, staat er: ‘Je moet anders lezen’ en dit soort woordspelletjes moeten ECHT WERKEN. Als het niet werkt of maar zo’n beetje, is dat heel pijnlijk.

Al gauw kwamen er wat Blumento-Pferde (Blumentopferde) op mijn bureau gedraafd. En toen kwamen er steeds meer dieren bij:

Wasserschi-Eber – Wasserschieber

Kir-Schwein – Kirschwein

Schnauzbär-Tiger – Schnauzbärtiger

Ik weet niet of je dit begrijpt als je niet goed Duits kent, maar er is best een grappige verzameling dieren ontstaan in het Duitse boek die er in het Nederlands niet waren. De titel van het hoofdstuk is dan ook geworden: Blumentopferde und andere Tiere. Dat is tammer dan Jemo Etan der Slezen, maar je moet altijd naar het geheel kijken, en dat kopje werkte gewoon goed samen met de Duitse tekst.

Bij het vertalen van zo’n scène wordt de grens tussen schrijven en vertalen aardig opgerekt, en gelukkig begreep Mirjam Oldenhave waarom ik hier los moest raken van haar woorden. Literair vertalers vertalen sowieso geen woorden maar teksten.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
‘Iep!’ van Joke van Leeuwen. ‘Ik miet un bieteriemetje mit pindekies’, zegt Iep in het begin van dit tedere boek, omdat zij, een vogeltje/viegeltje, van alle klinkers alleen de ‘i’ echt goed kan uitspreken. Het verhaal gaat over liefde en loslaten, en is ontzettend speels geschreven.

Kom daar maar eens om, in romans voor volwassenen, om zo’n bieteriemetje! De kans op taal met humor is in kinderboeken – behalve in poëzie natuurlijk – veel groter.

Zie je dingen veranderen in het vak?
Ja, alles is sneller geworden, en ook wel harder. Als een boek van een auteur niet goed genoeg verkoopt, dan stopt een uitgeverij met hem of haar, zij het soms met veel spijt. De macht van het getal heeft de jeugdboekenbranche evengoed in zijn greep als andere sectoren. De balans tussen makkelijke kost en boeken met wat meer om het lijf is zoek.

Begrijp me goed, ik ben helemaal niet tegen leesvoer, zoals ik op zondag lekker Tatort kijk gun ik elk kind boeken over paarden, beminnelijke vampiers, kostschoolmeisjes, zeemeerminnen etc., maar we hebben er wel erg veel van. Dat al die boeken die zo vreselijk op elkaar lijken en zo veel ruimte in de winkels krijgen gebeurt puur uit winstbejag. Geld is geen goede motivatie zodra het gaat om absoluut noodzakelijke dingen als gezondheid, zorg, menselijkheid, onderwijs, kunst, voeding.

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Tijdens mijn vaste baan bij de SVB heb ik jarenlang met een Translation Memory gewerkt. De te vertalen teksten bevatten veel herhalingen, steeds terugkerende fragmenten met minieme veranderingen. Het zou verspilling van menselijke energie en belastinggeld zijn geweest om dat niet met behulp van CAT (Computer Aided Tools) te doen.

Het heeft wel gevolgen voor een vertaler, ik voelde me aan het einde van een werkdag, waarop ik vaak alleen maar in razend hoog tempo (het aantal vertaalde woorden werd gemeten en de druk was hoog) persoonsvormen had veranderd of kleine wijzigingen in een tekst had aangebracht, leeg en ongelukkig. Ik maak me wel degelijk zorgen over computervertalingen; er zal bij sommige tekstsoorten (waarmee ik een belangrijk deel van mijn geld verdien) in de toekomst waarschijnlijk wel een niveau worden bereikt dat mij weliswaar niet overbodig maakt, maar mijn werk sterk zal veranderen, van echte vertaler naar editor. Daar is niet echt iets mis mee, en wat technisch mogelijk is, hou je ook nooit tegen, maar editor is toevallig niet het beroep dat ik wil uitoefenen. Ik denk dat ik dan iets anders ga doen.

Maar terug naar het vertalen van literatuur: een vertaalmachine als bijvoorbeeld Deepl kun je best loslaten op rechttoe-rechtaan geschreven teksten. Even een fictief voorbeeld: Toen Merel vanochtend wakker werd stond de zon al hoog aan de strakke hemel. ‘Vandaag gaat het gebeuren,’ dacht ze, ‘vanaf vandaag wordt alles anders. De verhuiswagen … dan produceert het programma in luttele seconden een tekst die je prima met enkele ingrepen kunt verbeteren.

Maar neem nou dit voorbeeld uit het spannende Katvis (*) van Tjibbe Veldkamp, p. 25:

“’Wonen jullie niet in een huis van steen?’
Waar sloeg dat nou weer op?
‘Hebben jullie elektriciteit? Internet misschien? Een volle frigo?’
Op zulke stomme vragen gaf hij geen antwoord. En hij ging ook niet vragen wat een frigo was.”

Qua woorden (en dat is het verschil met een goede vertaler, zo’n machine vertaalt ondanks alle neurale netwerken nog steeds woorden) is dat niet zo moeilijk, maar dit kun je echt beter zonder Deepl doen, en dat geldt thans nog voor alle teksten die niet inwisselbaar zijn. De computer mist historische of literaire toespelingen, is niet goed in associatief denken.

(*) Net hoor ik dat ik Katvis mag vertalen, voor de Duitse Carlsen Verlag, een erg fijne uitgeverij.

Dummie-die-Mummie-ausser-Rand-und-BandNog een voorbeeld: in de populaire Dummie-serie van Tosca Menten, waarvan ik met veel plezier een paar delen heb vertaald, gebruikt vader Klaas constant de woorden Plofzak Drollemans. In het Duits is dat Heiliger Hasenpups geworden. (Een medebewoonster leest het trouwens net voor aan haar kinderen en ze liggen elke dag dubbel van het lachen, erg leuk om te zien en een fijne bevestiging van mijn keuze).

Omdat de geheugens steeds groter worden kun je computers wel met heel veel context voeren. Op een gegeven moment zullen ze zeker kunnen herkennen of ‘strak’ uit het eerste voorbeeld boven slaat op een visuele of een fysieke situatie, maar van Plofzak Drollemans naar Heiliger Hasenpups lijkt me voor een niet-mens nog een lange weg.

Waar werk je op het moment aan?
Ik werk aan Ik ben Vincent en ik ben niet bang van Enne Koens. Een erg goed boek over pesten. Het is serieus en schrijnend, maar ook lichtvoetig. Frènk van der Linden maakte voor Kunststof een bijzonder mooi interview met de auteur. Survival speelt er een grote rol in, en onlangs heb ik de Duitse vertaling van de Survivalgids van Johnny ‘Lofty’ Wiseman gekocht. Grappig genoeg heb je dat boek ook nodig voor een andere vertaling die ik erg graag zou willen doen: Moeders van anderen van Mirthe van Doornik, een boek voor volwassenen. Maar ik weet dat er meer vertalers Duits it boek graag zouden willen vertalen. We zijn op dit moment met erg veel mensen voor betrekkelijk weinig boeken.

Wat lees je in je vrije tijd?
Veel Duitse nieuwere literatuur: Gerhard Henschel, Katharina Hackel, Angelika Klüssendorf, Lucy Fricke, Wilhelm Genazino, Sybille Berg, Kristine Bilkau. Die zijn in Nederland niet of niet zo bekend. Maar ook de Nederlandse literatuur hou ik vrij goed bij, Muidhond van Inge Schilperoord, Jij bent van mij van Peter Middendorp, Een ongenadig pad van Gerwin van der Werf, De heilige Rita van Tommy Wieringa – erg goede romans.

(foto Andrea Kluitmann © Luc Nijenhuis)

Lidwien Biekmann: “Ik ben verslaafd aan mijn werk, al vanaf het allereerste begin”

Ik heb Engelse Taal- en Letterkunde gestudeerd in Groningen en ben na wat omzwervingen vrij toevallig het vak van vertaler ingerold. Dat was in 1993, alweer 25 jaar geleden. Ik kon wat correctiewerk van iemand overnemen voor het vertaalbureau van de ECI, en de redacteur, de onvolprezen Gerrit Jan van den Berg, gaf me al vrij snel mijn eerste vertaalopdracht. In het begin vertaalde ik voor hem vrij middelmatige romans en thrillers, maar ook veel non-fictie, zoals Godsdiensten van de wereld en De klassieke componisten. Ik heb daar erg veel van geleerd.

Ik vertaalde intussen ook voor het toen nog in Groningen gevestigde TextCase, dat destijds nog redelijke tarieven betaalde en onder de bezielende leiding stond van Gerda Leegsma. Voor dat bureau vertaalde ik voornamelijk kookboeken, tuinboeken en allerlei andere non-fictie.

Langzamerhand kon ik rechtstreeks voor uitgeverijen gaan werken en kreeg ik betere boeken aangeboden. Nu vertaal ik vrijwel alleen literair werk voor volwassenen en kinderen, en soms non-fictie. Ik werk voor veel grote Nederlandse uitgeverijen; inmiddels heb ik al ruim 200 boeken vertaald.

Daar zitten ook hele dunne kookboekjes uit mijn beginperiode bij en titels die ik samen met een collega heb gedaan. Margaret Atwood en Dave Eggers zijn denk ik ‘mijn’ bekendste auteurs van boeken voor volwassenen; van de kinder- en jeugdliteratuur zijn dat Ali Benjamin en Frank Cottrell Boyce.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn?
Ik ben verslaafd aan mijn werk, al vanaf het allereerste begin. Ik vind het fantastisch om door de auteur bij de hand te worden genomen, samen door het boek te wandelen, en het in mijn moedertaal te mogen herschrijven. Ik vind het heerlijk om net zo lang met de taal te goochelen tot alles op z’n plaats valt. Het is heel creatief werk, maar het verhaal is er al, dus je hebt nooit last van writer’s block. Ik kan me bijna geen fijnere manier voorstellen om mijn brood te verdienen. Het is ook bijzonder prettig om zzp’er te zijn, omdat je kunt werken waar en wanneer je maar wilt, mits je opdrachten krijgt natuurlijk.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Na het ontbijt, als iedereen de deur uit is, ga ik naar mijn werkkamer en begin ik met doorlezen en bijschaven wat ik de vorige dag heb gedaan. Daarna begin ik aan mijn portie voor die dag. Ik werk bijna altijd met veel plezier en meestal vliegen de dagen om. Ik werk gemiddeld acht uur per dag, soms langer. Als het mooi weer is en ik bijvoorbeeld de hele middag buiten ben geweest, werk ik ’s avonds door. Ik probeer de weekenden vrij te houden, maar dat lukt vaak niet. Ik doe ongeveer drie maanden over een boek van gemiddelde lengte en moeilijkheidsgraad.

 Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Het-jaar-van-de-vloedDe mooiste herinneringen bewaar ik aan de Het jaar van de vloed van Margaret Atwood, het eerste boek dat ik van haar vertaalde. Dat is een speculatieve toekomstroman, het tweede deel van een trilogie, vol serieuze onderwerpen maar ook met veel humor. Toen ik het vertaalde mocht ik op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds drie weken in Canada werken op een geweldige culturele campus in Banff, waar toen ook een grote groep vertalers uit de hele wereld verbleef. Op de terugweg naar Nederland heb ik Margaret Atwood in Toronto ontmoet, dat was erg leuk.

M.U.I.SHet kinderboek waar ik de mooiste herinneringen aan heb is M.U.I.S. van Penny Dolan, een spannende Dickensiaanse avonturenroman over een Engelse weesjongen in de negentiende eeuw. Zo’n fijn dik boek waar kinderen stiekem ’s avonds onder de dekens met een zaklantaarn in verder lezen. Ik heb me vooral erg vermaakt met het vertalen van de namen in dat boek, daar heb ik toen een stukje over geschreven voor het weblog van de Boekvertalers. Personages als Bulloughby, Wayland, Shankbone, Smudge, sergeant Trudgewell, en Niddle and Pyeberry heten bij mij Buldersma, Doolaard, Schenkelbeen, DeSmet, brigadier Sloffermans, en Kanis en Pykebol. Erg leuke puzzels zijn dat.

Suzy-en-de-kwallenEen andere lievelingsvertaling is Suzy en de kwallen van Ali Benjamin, een heel origineel en ontroerend boek over een bijzonder meisje dat iets naars heeft meegemaakt en daar op een ongelofelijke manier mee leert leven. Het won in 2017 de Gouden Lijst voor vertaalde jeugdliteratuur. Beide boeken vertaalde ik voor uitgeverij Van Goor.

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Niet veel, het is in elk geval niet makkelijker, zoals mensen weleens denken. Je moet net als bij boeken voor volwassenen de juiste toon weten te treffen en dat kan bij kinderboeken en boeken voor jongvolwassenen verrekt lastig zijn. Er zijn wel een paar dingen waar je rekening mee moet houden. In kinder- en jeugdboeken moet je soms meer dingen aanpassen aan de Nederlandse situatie omdat kinderen bepaalde dingen anders niet snappen. En zoals je in dat stukje op de site die ik net noemde kunt lezen, moet je namen die iets betekenen of die grappig zijn ook vertalen, dat hoeft in boeken voor volwassenen niet altijd.

Welk boek dat door iemand anders is vertaald had je zelf graag willen vertalen?
Harry Potter!!! Omdat het fantastische boeken zijn, geweldig om te vertalen. En ook omdat bijna iedereen ze kent.

Heb je veel dingen zien veranderen in het vak?
Toen ik met vertalen begon, kende ik vrijwel geen enkele andere vertaler. Totdat ik in 2004 voor het eerst op een uitgeversborrel kwam en kennismaakte met collega Ineke Lenting, die me op het bestaan van de Boekvertalerslijst wees. Dat is een besloten groep van boekvertalers die dagelijks online contact hebben. We bespreken daar allerlei dingen die met het vak te maken hebben, maar we organiseren ook borrels en uitstapjes, naar een drukkerij bijvoorbeeld, en naar het Centraal Boekhuis. Het is een virtuele vraagbaak annex koffieautomaat. Ik heb er veel fijne collega’s leren kennen. We hebben ook een tijdje een weblog gehad, maar daar gebeurt de laatste tijd niet veel meer, waarschijnlijk omdat iedereen het te druk heeft.

Ik ben ook lid van de sectie Literair Vertalers van de Auteursbond, dat is de beroeps- en belangenvereniging van schrijvers en vertalers in Nederland. Zij zetten zich in voor allerlei zakelijke aspecten rond het beroep van literair vertaler. Het is geweldig wat zij al hebben bereikt op het gebied van honorering en rechten. De vertalers die bij de Auteursbond zijn aangesloten werken (als het goed is) volgens het modelcontract dat in overleg met de Literaire Uitgeversgroep is opgesteld en waarin een minimumtarief, royalty’s, en allerlei rechten zijn vastgelegd.

De bond heeft ook voor elkaar gekregen dat literair vertalers projectsubsidies en reisbeurzen kunnen aanvragen bij het Nederlands Letterenfonds. Dat is erg belangrijk omdat het bestaanszekerheid geeft. Vertalen is echt een vak, niet iets wat je er als hobby wel even bij kunt doen omdat het je wel lollig lijkt.

Is er in al die jaren nog meer veranderd?
Toen ik in 1993 met vertalen begon, waren er natuurlijk al wel computers, maar had nog bijna niemand internet. Tegenwoordig kun je alles opzoeken, de obscuurste woorden of voorwerpen tover je op internet zomaar tevoorschijn en je kunt met Google Streetview precies zien hoe een bepaald gebouw of landschap eruitziet.

Als ik vroeger iets niet kon vinden in een encyclopedie of in specialistische boeken, moest ik op pad of belde ik mensen op. Dat leverde vaak leuke gesprekken op met allerlei mensen, van dokters en koks tot en met timmerlieden en politieagenten, zelfs een keer met een onderzeebootkapitein in Den Helder.

Waar werk je op dit moment aan?
De-kerstmisaurusEen poosje geleden heb ik The Christmasaurus van Tom Fletcher vertaald voor de nieuwe kinderboekenuitgeverij Billy Bones. Een fantastisch kerstboek over een jongen die een dinosaurus als kerstcadeau vraagt en dan allerlei spannende avonturen beleeft. Nu vertaal ik het tweede boek van Tom Fletcher, The Creakers, een gezellig griezelverhaal over enge monsters onder je bed. In The Christmasaurus zaten veel versjes, het is altijd een hele uitdaging om die te vertalen. In The Creakers zit maar één versje (zie: Try this at home). Verder werk ik aan de vertaling van een roman en een verhalenbundel voor volwassenen. Vanaf maart 2019 ga ik de nieuwe roman van Margaret Atwood vertalen, die zij op 28 november gaat aankondigen en die in september 2019 zal verschijnen.

Aleid van Eekelen-Benders: “Ik zet mijn creativiteit in voor een duidelijk omschreven doel”

Oorspronkelijk was ik beroepskeuzeadviseur. Pas later kwam het idee om iets met mijn liefde voor Engels te doen. Met de akte MO-A op zak heb ik een paar jaar Engelse conversatie en bijles gegeven, tot een buurman een vertaalklus te vergeven had en zei: ‘Dat kun jij wel.’ Hij had eens moeten weten (nou ja, dat weet hij inmiddels) wat hij aanrichtte: ik wilde nooit meer iets anders. Nadat ik het ITV-diploma had gehaald heb ik me bij uitgevers gemeld en zo ging het balletje langzaam maar zeker rollen.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Een-slapeloze-nachtIn 1996 verscheen mijn eerste boekvertaling, Een slapeloze nacht, een doktersroman van uitgeverij Harlequin. Ik had ooit een paar Bouquetreeksjes gelezen, die ik nogal stroef vertaald vond, en toen al was door mijn hoofd gegaan hoe leuk het moest zijn om zulke boeken te vertalen en te proberen er prettig, soepel Nederlands van te maken, dus het was wel een passend debuut.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Dat zullen de boeken van John Green wel zijn.Het-Grote-Misschien

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ongeveer 120. Sommige met een collega samen, maar de meeste in mijn eentje. Toen ik pas begon ook vrij veel non-fictie, soms over onderwerpen waar ik niets van afwist (aromatherapie, feng shui, zoetwatervissen). Tegenwoordig doe ik vrijwel uitsluitend fictie. Het vertalen van kinder- en jeugdboeken had ik oorspronkelijk niet speciaal voor ogen, maar toen ik er een aangeboden kreeg merkte ik hoeveel plezier ik daaraan beleefde. Sindsdien vertaal ik soms voor kinderen, soms voor YA en soms voor volwassenen. Juist die afwisseling bevalt me goed.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Ik zet mijn creativiteit in voor een duidelijk omschreven doel: die combinatie van vrijheid en beperking vind ik erg fijn. Maar al te vaak is een letterlijke vertaling niet mogelijk en moet ik om in het Nederlands hetzelfde resultaat te bereiken ver van de brontekst afwijken en het in een heel andere richting zoeken. Zulke puzzels blijven voortdurend door mijn hoofd spelen en ik blijf eraan schaven en bijwerken. Het is een geweldig gevoel als er dan uiteindelijk iets staat wat de brontekst recht doet.

Het minst fijne… Misschien de onzekerheid en de deadlinestress. Zelfs al heb je nooit te klagen over gebrek aan opdrachten, je weet nooit of dat zo zal blijven. Deadlines zijn vaak krap, voor ziek worden is geen tijd. En je kunt nog zulke goede voornemens maken, soms wil je een aangeboden opdracht echt niet laten lopen omdat het zo’n fijn boek is, omdat het om ‘jouw’ schrijver gaat, noem maar op.

Hoe ga je te werk?
Ik begin met lezen. Dan de eerste vertaalronde: ik zet zo snel mogelijk een ruw klad neer, vaak nog heel onbeholpen, om alles vast eens onder handen te hebben gehad en de toon Het-geheim-van-het-Nachtegaalbosvan het boek te pakken te krijgen. Het geheim van het Nachtegaalbos van Lucy Strange bijvoorbeeld, speelt in het Engeland van 1919, zodat ik even moest zoeken naar het juiste taalgebruik: een tikje ouderwets maar wel zo dat het lezers van nu aanspreekt. Lastige zaken kruipen in een hoekje in mijn hoofd, waar ze tijdens het verdere vertalen blijven doorsudderen.

Tweede ronde: de tekst nauwkeuriger doorwerken met het origineel ernaast: heb ik alles goed gelezen/begrepen en niets overgeslagen? (Je hoeft maar even een kop koffie te gaan halen en voor je het weet ga je door bij een zin die aansluit bij het voorgaande, en zie je die twee regels ertussen over het hoofd.) Derde ronde: nu zonder het origineel ernaast. Het moment dat de tekst op eigen benen moet gaan staan. Vierde ronde: het geheel uitprinten en van papier lezen, wat voor een frisse blik zorgt. Dat was het, tot de tekst terugkomt met correcties van de persklaarmaker en daarna nog de drukproef.

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
Ik ben voor mijn kast gaan staan om te kijken over welk vertaling ik het tevredenst ben, maar wat is dat moeilijk! Trouwens, ‘tevreden’, ben ik dat ooit? De ellende is dat er altijd dingen blijven waarvan je achteraf denkt: had ik niet beter zus en zo… De kunst is dat te accepteren: op een gegeven moment is het klaar, én stort je je weer op een volgende vertaling, dus moet je het loslaten.

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Goede herinneringen heb ik aan veel vertalingen. Prettig contact met de auteur speelt daar vaak een rol in. Met Claire Cameron (Canadese auteur van romans voor volwassenen) bijvoorbeeld. Naar aanleiding van de vragen die ik haar had gestuurd bij het eerste boek dat ik van haar vertaalde (De beer, waarin de verteller een meisje van vijf is) bleven we nog even doormailen over vertalen, en toen ik aan haar volgende boek bezig was (De laatste neanderthaler) hoorde ik dat ze het zo jammer vond dat ik deze keer blijkbaar niets te vragen had, omdat ze die inkijk in mijn vak zo boeiend had gevonden. Gelukkig voor haar was ik mijn vragenlijst nog aan het opstellen en konden we nog uitgebreid corresponderen.

Welke vertaling vond je het moeilijkst?
Het moeilijkst, dat waren vermoedelijk de boeken van (daar is-ie weer) John Green, omdat er bij hem haast altijd taalkundige toeren in zitten die op het eerste gezicht onoplosbaar lijken: de anagrammen in 19x Katherine, de musicalliedjes in Will Grayson, will grayson, de woordspelingen en taalpuzzels overal. Tegelijkertijd vind ik dat soort ‘moeilijk’, die uitdaging, juist heerlijk, en bovendien heb ik van het begin af aan erg prettig contact gehad met John Green, dus ook hier: volop goede herinneringen.

Will-Grayson,-Will-GraysonEén voorbeeldje, uit Will Grayson, will grayson. Toen ik dat voor het eerst las bekroop me echt de gedachte: maar dat kán ik helemaal niet! Tot op de laatste bladzijde moest er gepuzzeld worden: in het dankwoord (in het Engels ‘Acknowledgments’) begon elke regel met ‘We acknowledge’ en dat woord werd niet alleen gebruikt om lof en dank uit te delen:

‘We acknowledge that Jodi Reamer is a kickass agent. We acknowledge that this book would probably not exist if [….]. We acknowledge that nerdfighters are made of awesome.’

Ik moest dus een Nederlands woord vinden dat erboven kon staan als kop én als begin van al die verschillende zinnen kon fungeren. Uiteindelijk bood het verhaal zelf de oplossing: de musical waar het allemaal om draait bracht me op ‘toegift’, heel passend zo aan het slot, en ‘wij geven toe’ bleek in alle zinnen te gebruiken.

Overigens denk ik sindsdien nooit meer ‘dat kan ik niet’. Ik weet nu dat ik er uiteindelijk altijd wel uit kom.

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
De-wereld-achter-het-hekNiet van een fragment, omdat tevredenheid óf het hele boek betreft, óf een losse vondst van een of enkele woorden. Zoals ‘de Overhemden’ in De wereld achter het hek, van Zana Fraillon. Dat verhaal speelt in een vluchtelingenkamp in Australië, waar de bewakers ‘the Jackets’ worden genoemd, naar hun uniformjasje, een pars pro totum dus, maar alle voor de hand liggende vertalingen (jack, jasje, colbert) gaven niet het juiste beeld en het hele woord, ‘de Uniformjasjes’ was veel te lang. Ter inspiratie zocht ik op een gegeven moment maar eens op internet naar foto’s van zulke kampen, en wat me opviel: de bewakers droegen, als onderdeel van hun uniform, allemaal een overhemd. Alle andere mannen en jongens droegen een T-shirt. Bij ‘de Overhemden’ weet je even duidelijk als bij ‘the Jackets’ dat het om de bewakers gaat.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
Dat is makkelijk: The Fault In Our Stars, van John Green. Ik ben zijn vaste vertaler en het was de bedoeling dat ik het zou doen, maar door omstandigheden is dat niet gelukt, iets wat ik heel erg jammer heb gevonden. Des te blijer was ik toen zijn nieuwste boek, Turtles All The Way Down, wél weer op mijn bordje viel.

Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Toen ik net begon heb ik zonder veel idee van de markt uitgevers aangeschreven. Dat ging toen nog op papier (oma vertelt), en de ochtend nadat ik mijn eerste brieven op de bus had gedaan hing er meteen een uitgever aan de telefoon die een gesprekje begon over non-fictie en naar mijn woordprijs informeerde. Ik, nog aan de ontbijttafel, werd compleet overrompeld en had géén idee. Met die man is het dan ook niets geworden. Enkele andere brieven leverden wel een opdracht op.

Gaandeweg kreeg ik meer benul over voorwaarden en tarieven, én kreeg ik steeds meer de smaak te pakken van betere boeken. Opnieuw uitgevers aanschrijven dus, maar nu doelgerichter, en in combinatie met introducties door meer ervaren collega’s die ik inmiddels had leren kennen ben ik verder gekomen.

Waar werk je op het moment aan?
Ik ben net begonnen aan de vertaling van Izzy + Tristan, het YA-debuut van Shannon Dunlap. Het is een hervertelling van het beroemde verhaal van Tristan en Isolde, die zich afspeelt in het hedendaagse Brooklyn. Voor daarna liggen er twee fijne kinderboeken op me te wachten.

Wat lees je in je vrije tijd?
Als ik midden in een lastige vertaling zit lees ik puur voor de ontspanning, meestal detectives (Dick Francis, Val McDermid). Verder Engelse (Ian McEwan, Kate Atkinson) en Nederlandse literatuur (vaak kinderboeken, bijv. Anna Woltz, Edward van de Vendel; vaak vertalingen van collega’s).