Bernadette Custers: “Kinder- en jeugdboeken vertalen – dat leek me helemaal het einde!”

Na enige omzwervingen na de middelbare school heb ik er alsnog voor kunnen kiezen om van mijn passie – talen – mijn beroep te maken. Kinder- en jeugdboeken vertalen – dat leek me helemaal het einde! Omdat legio talen, van Nieuwgrieks tot Chinees, me trokken heb ik destijds allerlei Nederlandse uitgevers bestookt met de vraag: welke taal/talen kun je nou het beste kiezen?

De enige uitgever die een brief terug typte (1987), was Querido-eindredacteur Jacques Dohmen (een kei!): ‘De meeste kinder- en jeugdboeken worden uit het Engels vertaald. […] Daarna komen, denk ik, Duits en Zweeds. […] de enige zinnige raad die ik je kan geven: doe vooral dat waar je belangstelling naar uitgaat, waar je hart voor open staat en waar (waarschijnlijk) je talenten liggen. Dan bereik je met het meeste plezier de beste resultaten. Ook al vertaal je uit het Albanees.’

Zweeds, dat trok me. De taal van Pippi! Die bleek deel uit te maken van Scandinavische taal- en letterkunde, waar je ‘automatisch’ de drie andere Scandinavische talen – Deens en de twee Noorse talen Bokmål en Nynorsk – meepikt. Goeie keuze, want een veelzijdig taalgebied. Tijdens mijn studie aan de UvA (’88-’93) begon ik – in ruil voor Scandinavische kinderboeken – al boekverslagen voor uitgeverij Sjaloom & Wildeboer te maken.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Afgestudeerd in het voorjaar 1993 begon ik algauw aan mijn vertaaldebuut, het Deense magische jeugdboek Troldmandens Søn, van Cecilie Eken, voor een Vlaamse uitgeverij, verschenen als De zoon van de tovenaar (1995). Destijds nog voor een zacht prijsje, de uitgever zei zich niet meer te kunnen permitteren. Mijn begeleidende Nederlandse redacteur (hard nodig, zo weinig vrij als ik toen durfde vertalen) wilde wel wandelen en (ver voor het #MeToo-tijdperk) best tongen op een parkbankje. Hm, vreemde vogels, die geletterden…

Gelukkig bleef het bij die ene poging tot bijbetaling in natura. En kwamen er nieuwe uitgevers en veel mooie boeken op mijn pad. Prentenboeken van Ulf Stark & Anna Höglund en de jeugdroman Zomerzeer van Hilde Hagerup (2005) bij Querido. Mijn Tobbeeigen ‘doorbraak’ kwam met de vertaling van Mikael Engströms Tobbe (2004), een waanzinnig mooi tragikomisch jeugdboek, bij uitgeverij Van Goor, destijds onder de bezielende redactie van Harminke Medendorp (later Marieke Woortman en Susanne Diependaal). Voor die uitgever heb ik sindsdien diverse mooie kinder- en jeugdboeken vertaald, o.a. nog twee Engström-pareltjes, en het novellen-elftal De vriend van de vriendin van de moeder van Maja van de Zweedse Katarina Kieri (2009). En recent: Paard, paard, tijger, tijger­ – het debuut van de Deense Mette Eike Neerlin.

Ook Nicole Harmsen, zelf Norge-fiel, van uitgeverij Lannoo (tot ± tien jaar terug nog met Nederlandse dependance) speelde me prachtige Noorse projecten toe, zoals Hannu Kaneel-en-konijnHannu van Geir Gulliksen, 2006, en een enkele Zweedse: Kaneel en Konijn (Kanel och Kanin) van Ulf Stark en Charlotte Ramel, een prentenboek op rijm (daar doet elk woord ertoe!). En een topvangst: de boeken van Maria Parr (ook wel de Noorse Astrid Lindgren genoemd). De Olle & Lena-boeken (2007 en 2018) en Tonje GlimmerdalTonje en de geheime brief (2010). Even fantastisch als ongelooflijk uitdagend om te doen, gezien Parrs heel eigen taal: een mix van Nynorsk en Parriaans. De boeken van Mikael Engström en Maria Parr hebben hier volgens mij de meest persaandacht gekregen.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Het totaal aantal prenten-, kinder- en jeugdboeken tot nog toe is ongeveer 55.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
De fijnste dingen aan het vertaalvak zijn: het proces zelf: het puzzelen, onderzoeken van allerlei vreemde elementen (variërend van Noorse linefiskeri – beuglijnvisserij tot Een-stormachtig-jaar-voor-Olle-en-LenaRagnarok, oudnoordse mythologie, zoals in Parrs laatste boek), het spelen met taal, vooral waar het eigen (woord)vondsten van de auteur betreft. Plus de uitdaging om sfeer, stijl taal, inhoud van het origineel hier opnieuw tot een soepel geheel te kneden. Dat is bij pittige boeken (zoals van Parr) echt monnikenwerk, waar je absoluut voor moet (willen) gaan.

Het minst fijn is de druk op de ketel door deadlines. En het allerergst: (te) veel redacteuren die op je tekst losgaan en/of redacteuren die niet op één lijn met je (tekst) zitten. Het dieptepunt was het boek waar in een recente zomervakantie door ± vijf redacteuren lustig op losgegaan was. Hjälp!

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Vertalingen die ik koester, die me dierbaar zijn (geweest): bij uitstek Tobbe (Dogge) van Mikael Engström, het prachtige tragikomische verhaal over halfwees Tobbe, die zich te midden van leeftijdgenoten in een arme Stockholmse buitenwijk tijdens zomerse straatavonturen staande houdt, regelmatig zijn moeder in de hemel bijpraat en haar terloops trakteert op de nieuwste weetjes, filosoferend vanuit de vensterbank. Tobbe is zo’n jongen die ik in 2003 direct in mijn hart sloot, en na dropping van hem in zijn Nederlandse vertolking ook echt ging missen.

Hannu,-HannuEen ander hart- en zielboekje was de Noorse Hannu, Hannu van Geir Gulliksen, een juweeltje. En ook Maria Parrs Olle en Lena zijn echte vriendjes geworden die me dierbaar zijn.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Lastig, of liever gezegd erg uitdagend om te vertalen: boeken vanuit het Nynorsk, met name die van Maria Parr, omdat ze doorspekt zijn met onvindbare dialectwoorden en eigen Parriaanse uitdrukkingen. Contact met de auteur vind ik dan ook van onschatbare waarde, om mogelijke misverstanden en vertaalblunders te voorkomen. Dat contact lukt overigens zo goed als altijd. Een enkele keer niet, zoals bij veelschrijver Henning Mankell van wie ik ± tien jaar terug een aantal (gedateerde, wel mooie) jeugdboeken vertaalde.

Van welke schrijver zou je graag eens een boek vertalen?
Een Zweedse auteur wiens jeugdboeken ik geweldig vond is Per Nilsson. Ik ontdekte zijn vroege boekwerk al tijdens mijn studie voor Sjaloom & Wildeboer, maar uiteindelijk is hij bij een andere uitgever terechtgekomen en door een collega-vertaler vertaald.

Dat laatste vind ik sowieso best lastig: we vissen met een aantal ScandinaVISten in één en dezelfde vijver, zijn elkaars collega’s én concurrenten.

O ja, en Één minuut eerlijkheid uit 2007 (Ærlighetsminuttet, 2005) van Bjørn Sortland, dat eveneens door diezelfde uitgever weggekaapt is voor de neus van de mijne… (Ik sta overigens op goede voet met Femke Muller, collega-vertaler van zowel Per Nilsson als Bjørn Sortland).

Welk boek dat nog niet vertaald is, wil je graag vertalen?
Comedy Queen
Een boek dat graag door mij vertaald wil worden is de Zweedse Comedy Queen van Jenny Jägerfeld. Alweer een pareltje… over Sasha van 12-13 die haar depressieve moeder verliest aan zelfdoding en er vervolgens ALLES aan doet om vooral NIET op haar moeder te gaan lijken en Comedy Queen wil worden om haar vader weer aan het lachen te maken. CQ is mij afgelopen april al toegespeeld door een Zweeds agentschap om hier aan de uitgeversman of -vrouw te brengen, en heb ik in de vorm van een uitgebreid boekverslag warm aanbevolen aan de ene na de andere uitgever: zeven maanden lang heeft het langs zeven uitgevers gezworven…

Hoe dat nu afloopt… hou ik liever nog even geheim.

Zie je dingen veranderen in het vak?
Zeker! Er wordt, met name door basisschoolbovenbouwers (de lezers boven de magische leeftijd, die niet meer in Sinterklaas geloven) en middelbare scholieren meer gelezen op smartphones dan in boeken – gemiddeld gezien.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar in vergelijking met tien-twintig jaar geleden is het leesanimo bij jonge lezers ‘beneden peil’. En hoor ik van professionele leesbevorderaars dat het vooral het leesplezier is dat van jongs af aan gestimuleerd mot, willen de jonkies blijven lezen.

Niks nieuws natuurlijk, maar wel van grote invloed op ons vak. Want: uitgevers zijn veel terughoudender en kritischer bij het aankopen van exotische (kinder- en jeugd)boeken – is míjn ervaring. Op het Angelsaksisch (en Duitse) taalgebied speelt dat minder: die boeken kunnen uitgevers zelf lezen en beoordelen.

Paard-paard-tijger-tijgerEr worden heeelaas minder pareltjes aangedurfd, Comedy Queen is één voorbeeld, en mijn eervorige boek, Hest hest, tiger tiger – Paard, paard, tijger, tijger vroeg ook om lang-wachten-op-de-knoop-doorhak-geduld. Verrassend genoeg heeft het wel een Gouden Lijst in de wacht gesleept (al tellen prijzen van vakjury’s minder dan die van de Kinderjury of Jonge Jury).

En bekijk je de boeken die nu populair zijn, dan zijn dat vaak andere genres dan mijn Scandinavisjes, hoewel de Noorse William Wenton (reeks in de sfeer van Harry P) die nu geschreven wordt door Bobbie Peers en de Zweedse YA-thriller Slutet over Het einde (van de wereld) van Mats Strandberg, wel in die populaire lijn liggen. Laatstgenoemd boek ‘mocht’ ik vlak voor de Frankfurter Buchmesse in no time lezen en er een leesrapport van fabrieken voor mijn enthousiaste uitgever, die nu weer in de wik- en weegfase is.

Aldus een greep uit mijn vertalersbestaan waar ik liefst nooit meer uit weg wil gaan…

Bernadette Custers

– vertaler Zweedse/Noorse/Deense kinder- en jeugdboeken

PS: Zonder kinderboekenvertalers zouden Alice in Wonderland, Winnie-the-Pooh, Pippi Långstrump en heel veel andere sprookjes- en boekenhelden uitsluitend door hun eigen taalgenoten kunnen worden meebeleefd

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s