Ik woon in Alkmaar, heb Nederlands en Engels gestudeerd aan een lerarenopleiding, heb vijf jaar lesgegeven aan een middelbare school en ben daarna in het vertalen gerold. Naast het vertalen geven ik sinds kort les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Dat is echt fantastisch om te doen: anderen enthousiast maken voor het vak en je vakkennis en ervaring doorgeven.
Ik lees graag, houd van koken en kookboeken en luister graag naar podcasts, zoals Echt gebeurd en The Moth. Sporten is geen hobby van me, maar vertalen is in elk geval mentale topsport, dus dat houdt mijn hersens fit, en met het bijhouden van huis en tuin beweeg ik toch wel voldoende. Ik loop zelfs rond met een stappenteller om te zien of ik wel actief genoeg ben.
Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Mijn eerste literaire vertaling is uit 1985: de roman Kerewin van de Nieuw-Zeelandse Keri Hulme, die dat jaar de Booker Prize won. Het werd meteen een enorme bestseller, dus ik denk dat het ook een van mijn bekendste vertalingen is. Kerewin is nog steeds in druk, wat tegenwoordig heel bijzonder is voor een boek dat zo lang geleden is verschenen.
Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Gemiddeld vertaal ik vier boeken per jaar, dus dat zullen er inmiddels zo om en nabij de honderdvijfentwintig zijn; ik heb ze nooit geteld. Als kinderboekenvertaler ben ik een betrekkelijke nieuwkomer, maar wat is dat een leuk specialisme!
Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Lezen is van jongs af aan mijn grote liefde geweest, en er is natuurlijk niets mooiers dan van je liefde voor iets je werk te kunnen maken. Ik vind het prettig om thuis in mijn eentje rustig en geconcentreerd te kunnen werken. Ik houd van puzzelen en vertaalproblemen oplossen, doe graag research naar allerlei zaken waar ik weinig tot niets van afweet, zoals vioolbouw, beleggingsalgoritmes, details van negentiende-eeuwse schoenen, de flora van South Carolina of bijzondere vissoorten – je kunt het zo gek niet bedenken of je komt het wel eens tegen in een boek.
Vertalen dwingt je om steeds actief met taal bezig te zijn. De taal is voortdurend in ontwikkeling en kent heel veel verschillende registers die je moet beheersen, van heel verheven tot heel plat. Je bent dus nooit uitgeleerd en alles op taalgebied is relevant, ook een gesprek in de supermarkt dat je opvangt. Gisteren nog op de groenteafdeling van AH, een kind tegen zijn moeder: ‘Mag ik een fruitje?’ Of de uitspraak van een man in een tv-programma: ‘Mijn vrouw is overleden, zeg maar.’ Daar kan ik lang over nadenken, de functie in die zin van dat ‘zeg maar’. Ik zuig dat allemaal op als een taalspons, ooit komt het misschien een keer van pas.
Hoewel ik graag alleen werk, is dat toch ook een minder fijn aspect van het vertalen, maar dat ondervang ik door met enige regelmaat een duovertaling met een collega te doen. Dan vertalen we om en om een hoofdstuk, wisselen onze vertalingen met elkaar uit, voorzien die van commentaar en suggesties die verwerkt worden in de tekst, en lezen elkaar aan het eind de hele vertaling skypend voor, iets wat vooral goed werkt bij dialogen. Aan een zin die je niet moeiteloos kunt voorlezen, moet nog gesleuteld worden. Vooral dat sleutelen, schaven en schuren is erg leuk om samen te doen. Duovertalen houdt je scherp en maakt je bewust van je blinde vlekken, beperkingen en vertaaleigenaardigheden, maar ook van de sterke kanten van jezelf en de collega.
Het lesgeven is een andere manier om als vertaler naar buiten te treden en even uit je comfortzone te stappen. Dat vereist reflectie op het vak: waarom doe je wat je min of meer intuïtief doet? Waarom is de ene vertaling beter dan de andere? Wat is de essentie van vertalen en hoe breng ik dat over?
Hoe ga je te werk?
Ik lees het boek eerst een keer snel, zoals een lezer zou doen. Daarna nog een keer met een marker in de hand om lastige passages, citaten, gedichten en andere research vergende dingen te markeren. Als het boek al verschenen is, lees ik alles wat ik erover kan vinden op internet: recensies, interviews en dergelijke. Soms lees ik er artikelen omheen die meer inzicht verschaffen in een schrijver, een bepaalde periode of een specifiek aspect van het boek.
Dan ga ik vertalen, het liefst in één keer door zonder iets terug te lezen. Wel pas ik gaandeweg de vertaling van sommige woorden of begrippen al aan. En ik doe alle benodigde research en schakel soms deskundigen in. Ik prijs me heel gelukkig met een Engelstalige vriendin en vertaler, Jo Nesbitt, aan wie ik altijd begripsvragen kan voorleggen. Het is soms lastig in te schatten hoe gewoon of ongewoon een bepaalde Engelse formulering is. Pas daarna ga ik mijn ruwe versie hoofdstuk voor hoofdstuk kritisch reviseren. En tot slot lees ik het geheel geprint en wel nog een keer helemaal door. Op papier lees je toch anders dan op het scherm.
Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Ik probeer voor tien uur ’s ochtends alle huishoudelijke en administratieve zaken te doen. Hoe mijn dag er uitziet, wisselt sterk. Mijn ideale werkdag zou helemaal vrij zijn om te vertalen, maar dikwijls lopen er projecten door elkaar. Je hebt een nieuw boek onder handen, maar dan stuurt een uitgeverij bijvoorbeeld de correcties van de persklaarmaker van een vorige vertaling. Of er komt een zetproef binnen van het boek daarvoor, die moet worden nagekeken. Er komt een nieuw hoofdstuk binnen van de duovertaler of ik moet een hoofdstuk panklaar maken. Dat goed managen van je tijd is lastig, maar ik probeer me aan mijn werkschema te houden: zoveel bladzijden per dag en nooit stoppen bij een moeilijke passage. Het corrigeren en reviseren schuif ik zoveel mogelijk op naar het eind van de dag, en dat loopt weleens uit tot de avond, en over een weekend werken doe ik ook niet moeilijk. Daar staat namelijk tegenover dat ik doordeweeks leuke dingen kan plannen en contacten kan onderhouden.
Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Een vertaling die je doet vergeten dat het een vertaling is, maar die wel de stijl van de schrijver in alle opzichten recht doet, dus zonder het gladstrijken van eigenaardigheden. En zonder er een Hemavertaling van te maken die te veel vernederlandst is. Het is je taak om te vertalen wat er staat, dicht bij de tekst te blijven als dat kan en vertaalvrijheid te nemen wanneer dat nodig is. Juist het vinden van dat evenwicht is wat vertalen zo leuk maakt.
Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Ik vond het vertalen van mijn allereerste kinderboek, De goudvisjongen van Lisa Thompson (verschenen bij MEIS & MAAS), een geweldig leuke ervaring. Heel verfrissend om me op een ander publiek dan volwassenen te kunnen richten. Het vertalen van jeugdliteratuur stelt je voor andere vragen. Bijvoorbeeld: welke woordenschat heeft een kind, welke woordspelingen kun je maken, wat is gangbare, maar niet al te snel daterende jongerentaal? En er spelen andere overwegingen mee: in hoeverre is een twaalfjarige al bekend met cultuurgebonden zaken en tradities, zoals bijvoorbeeld het zingen van ‘Auld Lang Syne’ op Oudejaarsavond? Zijn sommige Engelse namen – zoals ‘Cymbeline’ ‒ te moeilijk leesbaar of uit te spreken? Ga je die dan aanpassen of laat je ze staan? Bij het vertalen van jeugdliteratuur dienen er voortdurend keuzes te worden gemaakt tussen exotiseren, neutraliseren en naturaliseren. Voor wie daar meer over wil weten: daarover is op internet een uitstekend artikel van Jan van Coillie te vinden.
Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
In De nachtlantaarn, het tweede boek van Lisa Thompson, zoeken kinderen op een groot landgoed aan de hand van op rijm gestelde aanwijzingen naar een oude schat. De eerste verwijst naar een taxusboom. Het Engels is compacter, dus het was een heel gepuzzel om alle informatie over te brengen. Tevreden ben ik vooral over de alliteratie in de tweede regel van de vertaling, die werd ingegeven door het ‘still strong’ uit de eerste regel van het rijmpje.
Clue 1
I’m a thousand years old yet still strong as lead
I’m symbolic of life, yet watch over the dead.
My roots they are deep, they are solid and true,
If you seek me out now you will find the next clue.
Aanwijzing 1
Duizend jaar oud ben ik en toch niet kaal,
mijn gestel is solide en sterk als staal.
Beschermer van de doden en symbool van het leven;
jong of oud is mij om het even.
Mijn wortels reiken tot diep in de aarde,
als je me vindt, krijg je iets van waarde.
Wat was je grootste vertaalblunder?
In een van mijn vertalingen staat in de eerste alinea nog een roestende aluminium emmer. Daar heb ik van geleerd dat je kritisch moet blijven kijken naar een tekst; auteurs maken fouten en zijn soms inconsequent. Het is altijd fijn om tijdens het vertalen contact met een schrijver te hebben om bepaalde dingen te kunnen overleggen.
Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Lastig te vertalen zijn passages over zaken waar ik totaal geen verstand van heb met een bijbehorende terminologie die me niet van nature eigen is. Daar gaat veel tijd in zitten. Een aardig voorbeeld komt uit het binnenkort te verschijnen jeugdboek van Adam Baron, De jongen onder water, waarin een hoogbegaafd meisje het beleggingsbegrip ‘short’ uitlegt.
Niemand zei iets, totdat Veronica vroeg: ‘Zaten jullie short?’
Oom Chris antwoordde niet, dus vroeg ik aan Veronica: ‘Gaat het nu over een korte broek?’
‘Nee. Niet “shorts”. Enkelvoud: “short”.’
‘Oké. Met maar één pijp?’
‘Neeee. Timon, je oom Chris beheert geld van mensen en heeft beloofd daarmee stukjes van andermans bedrijven te kopen. Snap je?’
‘Eh… tja.’
‘Die stukjes worden aandelen genoemd. Als hij ze echt koopt, verdient hij geld als de prijs is gedaald sinds hij het beloofde. Het is alsof je hoopt dat iemand op sportdag als laatste eindigt.’
‘Maar wat is er dan misgegaan?’
‘Het is te riskant. Als de prijs stijgt en niet daalt, moet je ze nog steeds kopen. En dan verlies je geld. Het kan best een paar keer goed gaan, maar na een poos gaat het geheid mis, vooral als je shortposities niet gestaafd worden door de algemene economische omstandigheden. Het wordt nog erger bij een te hoge margeverplichting.’
Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, een vertaalprogramma kent en herkent geen humor, kan niet de juiste keus maken wanneer een woord meerdere betekenissen heeft, ziet vaak niet het verschil tussen de werkwoordstijden en heeft bovenal geen taalgevoel of leeservaring. En geen liefde voor het vak, en dat is naar mijn idee onontbeerlijk bij vertalen.
Waar werk je op het moment aan?
Ik heb net de vertaling afgerond van Boy Underwater van Adam Baron, De jongen onder water. Een prachtig, heel aangrijpend verhaal over een Engelse jongen die nooit heeft leren zwemmen en gaat onderzoeken waarom niet. Hij stuit op een groot familiegeheim, dat veel verklaart, maar ook nieuwe vragen opwerpt. Een boek dat met veel vaart en humor is geschreven, met schitterende illustraties van Benji Davies.
Wat lees je in je vrije tijd?
Ik ben een alleslezer, met een lichte voorkeur voor goede thrillers. Op het moment lees ik De levens van Jan Six van Geert Mak. Daarvoor heb ik een paar boeken gelezen van Erik Vlaminck – wat een rijk idioom, prachtig. Ik lees uiteraard veel Engels, maar ook oorspronkelijk Nederlands werk en vertalingen. Nederlands lezen blijft de beste manier om de rijkdom en de variëteit van de taal te ervaren en je andere registers eigen te maken. En de laatste kinderboeken die ik heb gelezen zijn van de Ierse schrijver Paul Gamble, deel een en twee van The Ministry of suits. En het eerste deel van een Australische reeks jeugdboeken, Echte duiven vangen boeven van Andrew McDonald, uitgegeven door Billy Bones en vertaald door twee beginnende vakgenoten, Koen Boelens en Helen Zwaan, die ik heb begeleid in het kader van een ontwikkelingsbeurs van het ELV, het Expertisecentrum literair vertalen in Utrecht.




Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik ben vrij tevreden over mijn vertalingen van de gedichten van Annie M.G. Schmidt, waarvan een aantal zijn samengebracht in A Pond Full of Ink / Een vijver vol inkt, met illustraties van Sieb Posthuma. Perfectionistisch als ik ben, zie ik natuurlijk ieder keer weer mogelijkheden voor verbeteringen, maar sommige gedichtvertalingen staan heel stevig.


Ik denk de vertaling van 3 boeken over Coolman. Coolman is de imaginaire vriend van de jongen Kay, die zelf een beetje een angsthaas is, maar doordat hij zich gesterkt voelt door de goede adviezen van Coolman durft hij meer dan hij denkt. Een heel grappige serie!
Mijn allereerste ‘echte’ vertaling was het boek Achter de stilte dat ik voor Lemniscaat vertaalde. Een prachtig maar heftig boek over een meisje dat misbruikt wordt door haar opa, maar ook een mooi subtiel liefdesverhaal. Dit was een zeer ingewikkelde klus, want ik leefde zo erg mee met de hoofdpersoon dat ik soms hardop tegen haar praatte tijdens het vertalen. Dit heeft er denk ik erg raar uitgezien…
Technische dingen vind ik lastig om te vertalen, bijvoorbeeld hoe een machine werkt. Voor het boek Winston, Kat met een geheime missie van uitgeverij De Fontein moest ik vertalen hoe een MRI-scan gemaakt wordt en hoe zo’n apparaat technisch gezien werkt. Daar heb ik wel wat YouTube-filmpjes voor bekeken!


Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Google-afbeeldingen een fantastische vinding, en Google Maps (met Streetview!) komt ook vaak goed van pas. Ik begrijp sowieso bijna niet meer hoe ik kon vertalen toen er nog geen internet was. Maar nog net zo belangrijk als altijd zijn de mensen om me heen die ergens verstand van blijken te hebben en het leuk vinden om hun kennis te delen, zoals de benedenbuurman de piloot, die me reusachtig heeft geholpen toen ik worstelde met de vliegenierskunsten van Maddie in Codenaam Verity van Elizabeth Wein.
Het moeilijkst vond ik absoluut Wit Konijn Rode Wolf van Tom Pollock, over de zeventienjarige Peter die aan een angststoornis leidt en op een kwade dag zijn moeder vindt in een plas bloed en er vervolgens tot zijn grote paniek ook nog achter komt dat zijn zus, zijn steun en toeverlaat, zoek is. Wat volgt is een krankzinnig verhaal over geheimen uit het verleden, waarbij niemand is wie hij leek te zijn en je je als lezer (en vertaler!) steeds afvraagt wat écht gebeurt of is gebeurd en wat uit de angstige geest van Peter voortkomt. Maar het grootste probleem voor mij was dat Peter een groot wiskundetalent is en hij voortdurend wiskunde gebruikt om grip te krijgen op de werkelijkheid. Laat ik nu helemaal niets met wiskunde hebben. Voor dit soort situaties zijn er gelukkig altijd hulplijnen. Een vriend heeft grote stukken van mijn vertaling meegelezen, me waar nodig gecorrigeerd – en een he-le-boel uitgelegd.
Dat is een makkelijke. Inmiddels kan ik eraan terugdenken zonder dat ik het warm krijg, maar wat vónd ik het erg. W las onze dochter op een avond voor uit Ik, Coriander van Sally Gardner, dat ik jaren eerder had vertaald, toen zij er nog te klein voor was. Coriander leeft in het Engeland van de zeventiende eeuw, in de tijd van de burgeroorlog tussen de aanhangers van koning Karel I en de aanhangers van het parlement. Man en kind lagen op bed in onze slaapkamer toen ik argeloos door de gang liep en hem ineens hoorde zeggen: ‘Ik bel de dokter!’ Of woorden van die strekking. Ik zakte bijna door de grond. ‘Huh? Wát zei je?’ vroeg ik nog. Maar ik had het natuurlijk heel goed gehoord.
Ik moet nu denken aan Mississippi is van mij van de Duitse schrijfster Cornelia Funke. Dit verhaal speelt zich af ergens op het Duitse platteland, wat er voor de handeling helemaal niet toe doet. Wel komen er natuurlijk allerlei zogenaamde realia in voor: verschijnselen of begrippen die horen bij een bepaald land of een bepaalde cultuur. Denk aan het eten dat mensen eten, of hoe de dingen op school in z’n werk gaan. Voor de Duitse kinderen die dit boek lezen zijn al die zaken vanzelfsprekend; ze hoeven zich niet af te vragen wat de schrijfster bedoelt omdat ze bij hun eigen leefwereld horen. Ik vind dat een Nederlands kind mijn vertaling op dezelfde manier moet kunnen lezen, dus zonder met zijn of haar aandacht te blijven haken aan iets wat het niet kent. Daarom heb ik bij dit boek de handeling zo onopvallend mogelijk verplaatst en Nederlandse realia in de plaats gezet van de Duitse. Ook de namen van de personages heb ik aangepast. Dit doe ik trouwens wel vaker, zeker als een boek ook heel goed kan worden voorgelezen. Het is vervelend als (voor)lezers struikelen over tongbrekende buitenlandse namen. Soms kan er dan geen Nederlandse naam voor in de plaats komen, maar wel een makkelijker lees- en uitspreekbare Engelse of Duitse naam. Ik heb niet héél veel ervaring met vertalen voor volwassenen, maar deze dingen heb ik daarbij in elk geval nog nooit gedaan.
dat ze het net zo mooi zouden vinden als ik en dat ik het dan mocht vertalen. Dat werd jammer genoeg niets. Veel later werd me gevraagd of ik van Finn Ole de boeken over Maulina wilde vertalen. Ik blij natuurlijk. Omdat Maulina heel leuk en lief en ontroerend en geestig is, maar ook omdat ik dacht: misschien wordt het zo toch nog eens wat met die Räuberhände. Over Maulina zijn drie boeken geschreven. Maulina’s ouders zijn gescheiden, haar vader is ergens anders gaan wonen en haar moeder is ernstig ziek en voor Mauwlien (nu maar even in het Nederlands) staat de wereld finaal op zijn kop. Het hele verhaal eindigt heel verdrietig maar ook heel hoopvol – alleen besloot de uitgever dat boeken 1 en 2 te weinig verkocht waren om boek 3 ook nog uit te geven. Dat vond en vind ik nog steeds heel vreselijk. Het verhaal van Mauwlien blijft nu voor altijd in de lucht hangen. Haar Nederlandse lezers (oké, het waren er maar een paar, maar toch) zullen nooit weten hoe het afloopt. Dus: graag deel 3 van Maulina, en dan alsnog die Räuberhände (maar alleen Maulina 3 is ook goed).
Ik denk de boeken van Anne van het Groene Huis. Maar het zou me niet verwonderen als ook het recent vertaalde boek Vijf kinderen en Het van E. Nesbit (geschreven in 1902! Nesbit is meer bekend van The Railway Children) het goed gaat doen. Er zijn al diverse mooie recensies van het boek.