Anne Douqué: “Niek de Groot werd echt mijn ‘vriendje’ op papier”

Mijn naam is Anne Douqué. Ik ben 37 en ik woon met mijn vriend Bas en zoontje Gijs (ruim 1,5) in Vinkeveen. We zijn net verhuisd en dat is heel fijn, want nu heb ik een grote werkkamer op zolder met prachtig uitzicht over de daken en bomen in de buurt. Als ik niet aan het werk ben, ga ik lekker met Gijs op pad naar de kinderboerderij, zwemmen, naar de bibliotheek of fietsen in de buurt. Voorlezen vindt hij ook geweldig, vooral als het boeken over auto’s zijn. Ik hou zelf ook erg van lezen, maar ook van knutselen zoals haken, breien en naaien. En ik zwem zelf graag. Sport kijken op tv vind ik heerlijk!

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik werkte van 2005 tot 2008 in het Van Gogh Museum. Daar vertaalde ik wel eens tekstjes voor de webshop, waar je bijvoorbeeld een mooie poster van Vincents zonnebloemen online kunt kopen.

Eind 2007 begon ik – tegelijkertijd – met mijn eigen bedrijf en de eerste vertalingen die ik deed, waren scriptvertalingen. Dat zal ik even uitleggen: vaak zie je op tv of op Netflix (tekenfilm)series en films met Nederlandse stemmen. De acteurs die die stemmen moeten inspreken, hebben natuurlijk een Nederlandse scripttekst nodig, anders weten ze niet wat ze moeten zeggen in de studio! Ik vertaalde de Engelse scripts naar het Nederlands voor opnamestudio’s waar ze tekenfilms nasynchroniseren.

Mijn eerste boekvertaling deed ik in 2010 voor The House of Books. Dat was geen kinderboek, maar een waargebeurd verhaal over het moeilijke leven van een Chinese vrouw die een kindje krijgt, maar dat kindje niet mag houden. Helaas gebeurt dat veel in China. Het heet Bericht van een Chinese moeder.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
DrakendalIk denk dat de Niek de Groot-serie het bekendst is. Die wordt in elk geval veel geleend bij de bieb! En de Drakendal-serie wordt ook steeds bekender. Ik hoorde dat er al lekker veel boeken over Fee en haar magische vrienden zijn verkocht! Ik vind dat zelf ook twee topseries, trouwens.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ik weet het niet zo goed uit mijn hoofd… ik denk ongeveer 8 voor volwassenen en ongeveer 18 voor kinderen. Maar er liggen binnenkort nog 5 door mij vertaalde kinderboeken in de winkel!

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Zonder mijn woordenboek, de Van Dale Engels-Nederlands en Nederlands, ben ik nergens! Andere handige boeken die ik gebruik zijn het Prisma voorzetselwoordenboek en het Van Dale Idioomwoordenboek met (bijna) alle Nederlandse gezegden en uitdrukkingen. Dat laatste heb ik net gekocht en het boek is superleuk om ook ‘gewoon’ doorheen te bladeren, omdat je soms helemaal niet weet waar een uitdrukking vandaan komt. Wist je bijvoorbeeld dat ‘iemand te grazen nemen’ oorspronkelijk betekende dat je voor de grap een hoop gras over iemand heen gooit? De uitdrukking komt uit de 17e eeuw, van het woord ‘grazelen’. Nu kennen we de uitdrukking als ‘iemand te pakken nemen’ of ‘iemand pijn doen’. Gras op je hoofd doet niet echt pijn, natuurlijk, maar je herkent de oude betekenis er wel in terug.

Het Prisma Namenboek is ook ontzettend handig, als ik leuke Nederlandse namen voor de personages in het verhaal moet verzinnen. Tot slot: Het juiste woord. Dat is een gigadik woordenboek met alle synoniemen die je maar kunt bedenken.

Internet is mijn tweede onmisbare bron. Synoniemen.net (als ik snel een synoniem nodig heb), Woordenlijst.org (de website van het Groene Boekje: hier check ik de spelling van moeilijke woorden, zoals ‘updaten-geüpdatet’), Wikipedia (voor alle begrippen en verschijnselen die in een boek worden uitgelegd, van middeleeuwse kanonnen tot hemellichamen) en Engelse woordenboeken zoals Merriam-Webster (de Dikke Van Dale van Groot-Brittannië, zeg maar) als ik meer wil weten over de betekenis en connotatie van een woord (dat betekent: hoe mensen een woord beoordelen. Hebben ze er bijvoorbeeld een positief of negatief gevoel bij? ‘Belhamel’ klinkt bijvoorbeeld een stuk schattiger dan ‘lastpak’, terwijl het ongeveer hetzelfde betekent.)

Een andere bron waar je misschien niet zo snel aan denkt is UrbanDictionary.com, waar je ‘slang’ kunt vinden – oftewel populaire taal zoals ‘BFF’ en ‘super duper’. Tot slot gebruik ik vaak Twitter en een besloten mailgroep van boekvertalers als ik speciale of heel moeilijke vertaalvragen heb. En voor ander vertaalwerk (dus niet voor boekvertalingen) gebruik ik een vertaalprogramma.

Niek-de-Groot-flikt-het-m-weerOver welke vertaling ben je het meest tevreden?
Over de boeken van Niek de Groot ben ik het meest tevreden. Omdat ik de hele serie mocht doen, werd hij echt mijn ‘vriendje’ op papier en wist ik precies wat voor soort grapjes hij maakte. Omdat de Niek de Groot-boeken ook deels met stripjes zijn geschreven, is het soms enorm puzzelen om van een grapje mét tekening ook in het Nederlands een goed grapje te maken. En als dat lukt… yessssss : ). Daar word ik héél gelukkig van!

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Ja en nee.

Nee: kinderen weten meer dan je denkt en ik vind dat je ze niet ‘kinderlijk’ moet benaderen. Het is dus niet zo dat ik moeilijke woorden expres vervang door makkelijke woorden omdat het toevallig een kinderboek is. Bovendien kunnen kinderen veel leren van lezen, dus dan is het juist leuk om soms een woord te gebruiken dat ze misschien nog niet kennen!

Ja: je moet als vertaler goed opletten wie er aan het woord is in een boek. Een kind praat anders dan een volwassene. Een volwassene kan best een ouderwetse uitdrukking gebruiken (‘Zeg, kerel, de pot verwijt de ketel dat-ie zwart ziet!’), maar een kind hoor je dat niet zo snel zeggen Als ik een kinderboek vertaal, dan zorg ik dat de dialogen passen bij de kinderen in het boek én bij de kinderen die de boeken lezen. Anders kunnen de lezers zich niet goed in het verhaal verplaatsen, of er ‘helemaal induiken’.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?/ Van welke schrijver zou je graag eens een boek vertalen?
Een-ongewone-familieVan de Britse schrijver Matt Haig heb ik ooit een heel grappig boek vertaald over een vampierfamilie (Een ongewone familie). Daarna is er lang niks meer van hem verschenen in het Nederlands, maar nu schrijft hij niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen heel mooie boeken. Iemand anders is nu de vertaler van zijn werk geworden en dat vind ik stiekem wel eens jammer, omdat ik Matt zo’n geweldige schrijver vind. (Zoek maar eens op The Humans, The Boy Who Saved Christmas en The Truth Pixie.)

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, helemaal niet. Vertaalmachines zoals Google Translate en DeepL zijn juist superhandig omdat je als vertaler graag zoveel mogelijk manieren wilt hebben om woorden op te zoeken of met een tekst te puzzelen. En uiteindelijk zal het voor een computer moeilijk zijn om gevoel en menselijkheid in een tekst te leggen. Denk maar aan het voorbeeld van ‘belhamel’ en ‘lastpak’ bij een vorige vraag. Soms wil je het ene woord gebruiken, maar soms juist het andere. Dat kan een computer niet leren. En een computer kan ook het ritme van de zin niet goed bepalen. Lees maar eens een stukje hardop voor uit je boek. Als je nergens over een woord struikelt, of hoeft na te denken over wat er eigenlijk staat, dan is het goed vertaald.

Bovendien gebruik ik (voor ander vertaalwerk) het vertaalprogramma MemoQ. Eigenlijk is dat ook een soort vertaalcomputer. Stel, je moet een tekst vertalen over auto’s. Dan kun je een speciale termenlijst uploaden met specifieke vertaalcombinaties (gearbox – versnellingsbak, spark plug – bougie). MemoQ herkent de woorden en geeft je de mogelijkheid om met één klik de juiste vertaling in te voeren. Bovendien onthoudt het programma wat je al vertaald hebt, zodat je meteen de juiste vertaling kunt aanklikken als je een zin tegenkomt die precies hetzelfde is, of heel erg lijkt op, een stukje dat je al eerder vertaald hebt. Dat maakt het werk een stuk efficiënter en sneller. Desondanks moet ik die vertalingen ook nog altijd goed checken om zeker te weten dat het programma niets over het hoofd heeft gezien. Ik betwijfel of het ooit zover komt dat zulke programma’s net zo nauwkeurig kunnen vertalen als mensen.

De acht van Annelies

Dertig jaar geleden las ik het eerste boek dat door Annelies Jorna vertaald is: De Eierman en andere verhalen, van Janni Howker. Daarna volgden er nog ruim vijftig. Een aantal daarvan werden favorieten die ik herlas of kocht.

Dit zijn mijn favoriete Annelies Jorna-vertalingen:

  1. Dit is alles / Aidan Chambers
  2. De zomer van Winn-Dixie / Kate DiCamillo
  3. Stad van maskers / Mary Hoffman
  4. De schaduw van Skellig / David Almond
  5. Het alfabet van Candice Phee / Barry Jonsberg
  6. Eleanor & Park / Rainbow Rowell (vertaald samen met Ineke Lenting)
  7. De evolutie van Calpurnia Tate / Jacqueline Kelly
  8. Zwart paard / Marcus Sedgwick

 

Richard Thiel

Try this at home, met Annelies Jorna

Om zelf te ervaren hoe lastig vertalen kan zijn, leggen we je op sommige dagen een opgave voor waar je zelf op mag puzzelen. Deze opgave verschijnt om 18:30 (maar dus niet alle dagen). Heb je een mooie oplossing bedacht? Zet hem dan in de reacties hieronder.

Deze opgave komt van Annelies Jorna. Rijm ‘met een luchtje’:

‘Fish fish fish fish
FISH FISH FISH FISH!
Fish in buckets and fish in tins,
Chop off their heads and tails and fins!
Boil and sizzle with tomato sauce
And slap them in a tin, with a label, of course!
Pott’s Perfect Pilchards! Spectacular sardines!
Magnificent Mackerel! Elegant eels!
Haddock and herring and cod and squid!
Get them down your neck – best thing you ever did!’

Annelies Jorna: “Vertalen is van ver halen wat een ander eerder verhaalde”

Ik groeide op in een tijd met weinig tv, en zonder afleiding van toen nog ondenkbare computergames en appjes, maar bovendien kom ik uit een echt ‘boekengezin’. Geboren in 1951 in Bussum, waar ik weer woon, na bijna dertig jaar in Groningen Stad & Ommeland. Op mijn zestiende werd mijn eerste roman uitgegeven: Tarantella. Ik vertrok naar Engeland, werkte als au pair, schreef, studeerde (Londen) en later heb ik nog Engels en onderwijskunde gedaan in Groningen. Natuurlijk is lezen, veel lezen, de breedste ‘opleiding’ in het leven gebleken: een ontwikkeling die nooit ophoudt.

In Groningen heb ik parttime lesgegeven aan de universiteit. Ook heb ik er nog een tijd bij gewerkt als ondertitelaar: je leert geweldig comprimeren en de essentie uit een monoloog of dialoog halen. Nu geef ik soms nog lezingen en workshops voor vertaalstudenten en collega’s, en af en toe ben ik mentor van nieuwe vertalers. De Nederlandse en Vlaamse Letterenfondsen vragen me weleens om advies uit te brengen over subsidieaanvragen voor te vertalen kinder- en jeugdboeken.

Hoe ik vertaler werd
Vertaler werd ik toen ik destijds terugkwam uit Engeland en een baan kreeg op de redactie van de uitgeverij waar ik publiceerde: Van Dishoeck, Van Holkema & Warendorf (het latere Unieboek). Het werk werd me ‘gewoon’ opgedrongen! Op een dag legde de uitgever het enige boek van Bob Dylan, Tarantula, op mijn bureau en zei: ‘Ga jij dit maar thuis vertalen, dat kun je best.’ De eerder gecontracteerde dichter-vertaler had het laten afweten. Voor beginnende vertalers van nu is het bijna onvoorstelbaar dat ik er zo ben ingerold. Van Dishoeck dacht vast: die titel lijkt ook nog op die eerste van haarzelf.

Van ouder naar jonger
Eenmaal in Groningen ging ik me na veel boeken voor volwassenen specialiseren in het vertalen van kinder- en jeugdboeken, ook doordat ik zelf kinderen kreeg. Ik vertaal intussen al bijna een halve eeuw! Al in 2005 kreeg ik de Martinus Nijhoffprijs voor ‘mijn gehele oeuvre’: dat klonk alsof ik mocht stoppen, maar dat oeuvre groeit gelukkig door, want vertalers en schrijvers stoppen niet, ze blijven jong van geest bij hun werk, ha! Er staan nu ongeveer 200 titels op mijn naam.

Stad-van-maskersMijn bekendste vertalingen zijn waarschijnlijk de zes delen van de Stravaganza-serie van Mary Hoffman (12+). Vaak herdrukte boeken over jongeren die reizen door de tijd tussen het Engeland-van-nu en het zestiende-eeuwse Talia, waarin we Italië herkennen, een avontuurlijke verweving van historische en hedendaagse verhaallijnen en thema’s. Maar het kunnen ook, of daarnaast, de Mol-prentenboeken van Jonathan Emmett en Vanessa Cabban zijn, met titels als ‘Ik wil de maan’ en de verwonderde molletjeskreet: grote-grondgravers-nog-aan-toe (origineel: hot-diggity!)

Vertalen is van ver halen wat een ander eerder verhaalde…
… zo definieer ik meestal mijn werk. Ik kruip in het hoofd van de auteur. Dat is het mooie van vertalen: je blijft over je eigen grenzen kijken, neemt door taal en verhaal steeds een nieuwe rol aan, zet de ramen wijd open naar andere landen en mensen, en dat terwijl je gewoon thuis zit, met het boek, je computer, wiki en online woordenboeken. (Vroeger met een dikke encyclopedie, véél papier, een ouderwetse, grote typemachine en váák naar de bieb voor naslagwerken!) Een boek moet voor mij lezen alsof de anderstalige auteur het zelf in soepel Nederlands heeft geschreven, de brontaal mag er nooit doorheen janken, maar je mag wél altijd merken dat het ‘van elders’ komt. De personages worden mijn onzichtbare huisgenoten die ik goed Nederlands moet leren voordat ze hier op eigen benen kunnen staan. In de tussentijd heb ik veel plezier met ze, soms ruzie, af en toe kan ik ze niet uitstaan, ze maken me ’s nachts weleens wakker, maar ze ontroeren me ook en blijven zichzelf, in hun nagemaakte jasje, met al hun eigenheid, woordspelingen en taalvondsten. Daarvoor moet ik met mijn eigen taalvermogen soms tot het uiterste gaan, en liefst een stapje verder, om de auteur en zijn boek alle eer aan te doen. Ook bij mezelf moet ik het soms ‘van ver halen’.

Het-ware-verhaal-van-het-monster-Billy-DeanHet moeilijkste boek om te vertalen was Het ware verhaal van het monster Billy Dean van David Almond, niet een van zijn vrolijker kinderboeken vol grappen en subtiliteiten, zoals De jongen die met piranha’s zwom of Het wonderlijke verhaal van Angelino Brown, die vooral heel leuk waren om te doen, maar een duisterder verhaal, dat helemaal fonetisch was geschreven. In het Nederlands moest dat natuurlijk zo blijven. Door de grammaticale, structurele en cultuurspecifieke verschillen tussen de twee talen heeft dat veel hoofdbrekens gekost, maar het is wel gelukt. Ook allesbehalve eenvoudig was de enorm dikke pil van Aidan Chambers, Dit is alles – het hoofdkussenboek van Cordelia Kenn, een YA-roman van filosofisch-psychologische aard, met een experimenteel tussendeel, en voor de pret ook nog een terloops ingebouwde literatuurcursus met veel verwijzingen naar literaire klassiekers.

Eigenlijk heeft elk boek z’n eigen complicaties en puzzels, die je pas merkt als je je er als vertaler in verdiept, meer dan een lezer of recensent ooit zal doen. Een boek vertalen is nooit ‘woordjes en zinnen omzetten’, maar vooral: aanvoelen en schrijven, zodat ik echt niet bang ben dat vertaalcomputers dit werk over kunnen nemen. Computers ‘lezen heen’ over alle suggestiviteit en originele vondsten in een boek, missen de verbeeldingskracht om te visualiseren en zich in te leven. Computers hebben geen gevoel, en dat is misschien wel het allerbelangrijkste bij het vertalen. Om nog maar te Het-alfabet-van-Candice-Pheezwijgen van vindingrijkheid, van vrijheid durven nemen en te spelen met taal om in andere woorden hetzelfde uit te kunnen drukken. Ik denk bijvoorbeeld aan Het ABC van Candice Phee van Barry Jonsberg, vorig jaar verschenen, waarin elk hoofdstuk begint met een Engels woord dat, in vertaling, natuurlijk een heel andere beginletter heeft. Dan moet je een ander woord vinden – of verzinnen – dat de lading van het hoofdstuk toch dekt. Zie je het een computer doen?

Als je me vraagt naar vertaalblunders zijn die er vast geweest, zeker toen ik net begon, maar tegelijkertijd heb ik altijd het geluk gehad om met heel goede redacteuren en persklaarmakers te werken, die me voor valkuilen hebben behoed en van wie ik veel heb geleerd. Zij zijn de onmisbare mensen achter de schermen, vaak nog ‘onzichtbaarder’ dan de vertalers. En dan zijn er de collega’s: door internet is er veel meer wisselwerking en feedback onder vertalers ontstaan, zodat we elkaar uit linke vertaalbrandjes kunnen helpen.

Tevreden ben ik wel als een niet eerder vertaald gedicht of liedje een in ritme, toon en zeggingskracht een bijna gelijkwaardig Nederlandse versie heeft gekregen. Ik zeg bijna, want een beetje verlies met het origineel moet ik soms nemen, een noodzakelijke afwijking omdat nu eenmaal niet alles rechtstreeks vertaalbaar, maar wel zo dicht mogelijk benaderbaar is. Dat kun je dan vaak op een andere plek weer compenseren. Echte perfectie bestaat niet, denk ik, maar ha, we doen ons best!

Ons vak verandert mee met ontwikkelingen in de samenleving. Dat merk je ook aan de omgangstaal, en het meest nog aan jeugdtaal. Het is dus zaak om met wijd open oren en ogen ‘onder de mensen’ te zijn, te luisteren en te kijken. Wie praat, wat voor type? Een simpel voorbeeld is dat we pakweg vijftien jaar geleden nog het woordje ‘cool’ vertaalden, wat zo ingeburgerd is geraakt dat je het niet meer in je hoofd zou halen om dat niet te laten staan. Maar het is ook oppassen geblazen met straattaal: die wisselt zó snel dat je risico loopt algauw in een daterend register te zitten. Tegelijkertijd is onze taal zo rijk dat het top is om smeuïg eigentijds of juist ouder Nederlands te kunnen gebruiken, volks of bekakt, plechtig of laconiek, passend bij het personage. Ik ben geen fan van verengelsend taalgebruik, dat vaak onnodig awkward is (knipoog). Dialogen hardop uitproberen: het is een geliefde bezigheid van me om de melodie en emotie van de spreker te proeven.

Zonder kinderboekenvertalers zou de boekenwereld beperkter zijn. Wij hebben zelf geweldige schrijvers, maar een mooi vertaald boek uit de ruime buitenwereld biedt ook weer andere ideeën en inzichten en is een verrijking van onze verhalenschat.

Werk en lezen nu
Ik ben net begonnen aan de vertaling van een dik jeugdboek dat de betekenis van taal in ons leven als sub-thema heeft: De woordsmid. Het verschijnt volgend jaar pas en ik zeg er verder alleen dit over: als iets blijkt uit dat gelaagde, spannende boek is wel dat we de rijkdom van natuurlijke, levende taal nodig hebben om zelfstandig en kritisch te kunnen denken, om oplossingen te vinden en te kunnen overleven.

Zoals ik vertaal, voor bijna alle leeftijdsgroepen (met prentenboeken als ware feestjes, waarbij er een onzichtbare peuter of kleuter op schoot zit), zo lees ik ook: van alles. Ik heb net het al wat oudere boek Achter de draad van Hans Kuyper uit, en het nieuwere Katvis van Tjibbe Veldkamp. Daarnaast heb ik recent ook Zomervacht van Jaap Robben gelezen, prachtig, en de historische pil De levens van Jan Six van Geert Mak. Op stapel staan Tegenwoordig heet iedereen Sorry van Bart Moeyaert en De acht bergen van Paolo Cognetti, vertaald door Yond Boeke en Patty Krone. Veel en goed Nederlands lezen is belangrijk voor vertalers, en daaronder reken ik zeker ook mooie vertalingen van collega’s.

Anneke Bok: “Als kinderboekenvertaler ben ik een betrekkelijke nieuwkomer, maar wat is dat een leuk specialisme!”

Ik woon in Alkmaar, heb Nederlands en Engels gestudeerd aan een lerarenopleiding, heb vijf jaar lesgegeven aan een middelbare school en ben daarna in het vertalen gerold. Naast het vertalen geven ik sinds kort les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Dat is echt fantastisch om te doen: anderen enthousiast maken voor het vak en je vakkennis en ervaring doorgeven.

Ik lees graag, houd van koken en kookboeken en luister graag naar podcasts, zoals Echt gebeurd en The Moth. Sporten is geen hobby van me, maar vertalen is in elk geval mentale topsport, dus dat houdt mijn hersens fit, en met het bijhouden van huis en tuin beweeg ik toch wel voldoende. Ik loop zelfs rond met een stappenteller om te zien of ik wel actief genoeg ben.

KerewinWanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Mijn eerste literaire vertaling is uit 1985: de roman Kerewin van de Nieuw-Zeelandse Keri Hulme, die dat jaar de Booker Prize won. Het werd meteen een enorme bestseller, dus ik denk dat het ook een van mijn bekendste vertalingen is. Kerewin is nog steeds in druk, wat tegenwoordig heel bijzonder is voor een boek dat zo lang geleden is verschenen.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Gemiddeld vertaal ik vier boeken per jaar, dus dat zullen er inmiddels zo om en nabij de honderdvijfentwintig zijn; ik heb ze nooit geteld. Als kinderboekenvertaler ben ik een betrekkelijke nieuwkomer, maar wat is dat een leuk specialisme!

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Lezen is van jongs af aan mijn grote liefde geweest, en er is natuurlijk niets mooiers dan van je liefde voor iets je werk te kunnen maken. Ik vind het prettig om thuis in mijn eentje rustig en geconcentreerd te kunnen werken. Ik houd van puzzelen en vertaalproblemen oplossen, doe graag research naar allerlei zaken waar ik weinig tot niets van afweet, zoals vioolbouw, beleggingsalgoritmes, details van negentiende-eeuwse schoenen, de flora van South Carolina of bijzondere vissoorten – je kunt het zo gek niet bedenken of je komt het wel eens tegen in een boek.

Vertalen dwingt je om steeds actief met taal bezig te zijn. De taal is voortdurend in ontwikkeling en kent heel veel verschillende registers die je moet beheersen, van heel verheven tot heel plat. Je bent dus nooit uitgeleerd en alles op taalgebied is relevant, ook een gesprek in de supermarkt dat je opvangt. Gisteren nog op de groenteafdeling van AH, een kind tegen zijn moeder: ‘Mag ik een fruitje?’ Of de uitspraak van een man in een tv-programma: ‘Mijn vrouw is overleden, zeg maar.’ Daar kan ik lang over nadenken, de functie in die zin van dat ‘zeg maar’. Ik zuig dat allemaal op als een taalspons, ooit komt het misschien een keer van pas.

Hoewel ik graag alleen werk, is dat toch ook een minder fijn aspect van het vertalen, maar dat ondervang ik door met enige regelmaat een duovertaling met een collega te doen. Dan vertalen we om en om een hoofdstuk, wisselen onze vertalingen met elkaar uit, voorzien die van commentaar en suggesties die verwerkt worden in de tekst, en lezen elkaar aan het eind de hele vertaling skypend voor, iets wat vooral goed werkt bij dialogen. Aan een zin die je niet moeiteloos kunt voorlezen, moet nog gesleuteld worden. Vooral dat sleutelen, schaven en schuren is erg leuk om samen te doen. Duovertalen houdt je scherp en maakt je bewust van je blinde vlekken, beperkingen en vertaaleigenaardigheden, maar ook van de sterke kanten van jezelf en de collega.

Het lesgeven is een andere manier om als vertaler naar buiten te treden en even uit je comfortzone te stappen. Dat vereist reflectie op het vak: waarom doe je wat je min of meer intuïtief doet? Waarom is de ene vertaling beter dan de andere? Wat is de essentie van vertalen en hoe breng ik dat over?

Hoe ga je te werk?
Ik lees het boek eerst een keer snel, zoals een lezer zou doen. Daarna nog een keer met een marker in de hand om lastige passages, citaten, gedichten en andere research vergende dingen te markeren. Als het boek al verschenen is, lees ik alles wat ik erover kan vinden op internet: recensies, interviews en dergelijke. Soms lees ik er artikelen omheen die meer inzicht verschaffen in een schrijver, een bepaalde periode of een specifiek aspect van het boek.

Dan ga ik vertalen, het liefst in één keer door zonder iets terug te lezen. Wel pas ik gaandeweg de vertaling van sommige woorden of begrippen al aan. En ik doe alle benodigde research en schakel soms deskundigen in. Ik prijs me heel gelukkig met een Engelstalige vriendin en vertaler, Jo Nesbitt, aan wie ik altijd begripsvragen kan voorleggen. Het is soms lastig in te schatten hoe gewoon of ongewoon een bepaalde Engelse formulering is. Pas daarna ga ik mijn ruwe versie hoofdstuk voor hoofdstuk kritisch reviseren. En tot slot lees ik het geheel geprint en wel nog een keer helemaal door. Op papier lees je toch anders dan op het scherm.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Ik probeer voor tien uur ’s ochtends alle huishoudelijke en administratieve zaken te doen. Hoe mijn dag er uitziet, wisselt sterk. Mijn ideale werkdag zou helemaal vrij zijn om te vertalen, maar dikwijls lopen er projecten door elkaar. Je hebt een nieuw boek onder handen, maar dan stuurt een uitgeverij bijvoorbeeld de correcties van de persklaarmaker van een vorige vertaling. Of er komt een zetproef binnen van het boek daarvoor, die moet worden nagekeken. Er komt een nieuw hoofdstuk binnen van de duovertaler of ik moet een hoofdstuk panklaar maken. Dat goed managen van je tijd is lastig, maar ik probeer me aan mijn werkschema te houden: zoveel bladzijden per dag en nooit stoppen bij een moeilijke passage. Het corrigeren en reviseren schuif ik zoveel mogelijk op naar het eind van de dag, en dat loopt weleens uit tot de avond, en over een weekend werken doe ik ook niet moeilijk. Daar staat namelijk tegenover dat ik doordeweeks leuke dingen kan plannen en contacten kan onderhouden.

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Een vertaling die je doet vergeten dat het een vertaling is, maar die wel de stijl van de schrijver in alle opzichten recht doet, dus zonder het gladstrijken van eigenaardigheden. En zonder er een Hemavertaling van te maken die te veel vernederlandst is. Het is je taak om te vertalen wat er staat, dicht bij de tekst te blijven als dat kan en vertaalvrijheid te nemen wanneer dat nodig is. Juist het vinden van dat evenwicht is wat vertalen zo leuk maakt.

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
De-goudvisjongenIk vond het vertalen van mijn allereerste kinderboek, De goudvisjongen van Lisa Thompson (verschenen bij MEIS & MAAS), een geweldig leuke ervaring. Heel verfrissend om me op een ander publiek dan volwassenen te kunnen richten. Het vertalen van jeugdliteratuur stelt je voor andere vragen. Bijvoorbeeld: welke woordenschat heeft een kind, welke woordspelingen kun je maken, wat is gangbare, maar niet al te snel daterende jongerentaal? En er spelen andere overwegingen mee: in hoeverre is een twaalfjarige al bekend met cultuurgebonden zaken en tradities, zoals bijvoorbeeld het zingen van ‘Auld Lang Syne’ op Oudejaarsavond? Zijn sommige Engelse namen – zoals ‘Cymbeline’ ‒ te moeilijk leesbaar of uit te spreken? Ga je die dan aanpassen of laat je ze staan? Bij het vertalen van jeugdliteratuur dienen er voortdurend keuzes te worden gemaakt tussen exotiseren, neutraliseren en naturaliseren. Voor wie daar meer over wil weten: daarover is op internet een uitstekend artikel van Jan van Coillie te vinden.

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
De-nachtlantaarnIn De nachtlantaarn, het tweede boek van Lisa Thompson, zoeken kinderen op een groot landgoed aan de hand van op rijm gestelde aanwijzingen naar een oude schat. De eerste verwijst naar een taxusboom. Het Engels is compacter, dus het was een heel gepuzzel om alle informatie over te brengen. Tevreden ben ik vooral over de alliteratie in de tweede regel van de vertaling, die werd ingegeven door het ‘still strong’ uit de eerste regel van het rijmpje.

Clue 1
I’m a thousand years old yet still strong as lead
I’m symbolic of life, yet watch over the dead.
My roots they are deep, they are solid and true,
If you seek me out now you will find the next clue.

Aanwijzing 1
Duizend jaar oud ben ik en toch niet kaal,
mijn gestel is solide en sterk als staal.
Beschermer van de doden en symbool van het leven;
jong of oud is mij om het even.
Mijn wortels reiken tot diep in de aarde,
als je me vindt, krijg je iets van waarde.

Wat was je grootste vertaalblunder?
In een van mijn vertalingen staat in de eerste alinea nog een roestende aluminium emmer. Daar heb ik van geleerd dat je kritisch moet blijven kijken naar een tekst; auteurs maken fouten en zijn soms inconsequent. Het is altijd fijn om tijdens het vertalen contact met een schrijver te hebben om bepaalde dingen te kunnen overleggen.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Lastig te vertalen zijn passages over zaken waar ik totaal geen verstand van heb met een bijbehorende terminologie die me niet van nature eigen is. Daar gaat veel tijd in zitten. Een aardig voorbeeld komt uit het binnenkort te verschijnen jeugdboek van Adam Baron, De jongen onder water, waarin een hoogbegaafd meisje het beleggingsbegrip ‘short’ uitlegt.

Niemand zei iets, totdat Veronica vroeg: ‘Zaten jullie short?’
Oom Chris antwoordde niet, dus vroeg ik aan Veronica: ‘Gaat het nu over een korte broek?’
‘Nee. Niet “shorts”. Enkelvoud: “short”.’
‘Oké. Met maar één pijp?’
‘Neeee. Timon, je oom Chris beheert geld van mensen en heeft beloofd daarmee stukjes van andermans bedrijven te kopen. Snap je?’
‘Eh… tja.’
‘Die stukjes worden aandelen genoemd. Als hij ze echt koopt, verdient hij geld als de prijs is gedaald sinds hij het beloofde. Het is alsof je hoopt dat iemand op sportdag als laatste eindigt.’
‘Maar wat is er dan misgegaan?’
‘Het is te riskant. Als de prijs stijgt en niet daalt, moet je ze nog steeds kopen. En dan verlies je geld. Het kan best een paar keer goed gaan, maar na een poos gaat het geheid mis, vooral als je shortposities niet gestaafd worden door de algemene economische omstandigheden. Het wordt nog erger bij een te hoge margeverplichting.’

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, een vertaalprogramma kent en herkent geen humor, kan niet de juiste keus maken wanneer een woord meerdere betekenissen heeft, ziet vaak niet het verschil tussen de werkwoordstijden en heeft bovenal geen taalgevoel of leeservaring. En geen liefde voor het vak, en dat is naar mijn idee onontbeerlijk bij vertalen.

Waar werk je op het moment aan?
Ik heb net de vertaling afgerond van Boy Underwater van Adam Baron, De jongen onder water. Een prachtig, heel aangrijpend verhaal over een Engelse jongen die nooit heeft leren zwemmen en gaat onderzoeken waarom niet. Hij stuit op een groot familiegeheim, dat veel verklaart, maar ook nieuwe vragen opwerpt. Een boek dat met veel vaart en humor is geschreven, met schitterende illustraties van Benji Davies.

Wat lees je in je vrije tijd?
Ik ben een alleslezer, met een lichte voorkeur voor goede thrillers. Op het moment lees ik De levens van Jan Six van Geert Mak. Daarvoor heb ik een paar boeken gelezen van Erik Vlaminck – wat een rijk idioom, prachtig. Ik lees uiteraard veel Engels, maar ook oorspronkelijk Nederlands werk en vertalingen. Nederlands lezen blijft de beste manier om de rijkdom en de variëteit van de taal te ervaren en je andere registers eigen te maken. En de laatste kinderboeken die ik heb gelezen zijn van de Ierse schrijver Paul Gamble, deel een en twee van The Ministry of suits. En het eerste deel van een Australische reeks jeugdboeken, Echte duiven vangen boeven van Andrew McDonald, uitgegeven door Billy Bones en vertaald door twee beginnende vakgenoten, Koen Boelens en Helen Zwaan, die ik heb begeleid in het kader van een ontwikkelingsbeurs van het ELV, het Expertisecentrum literair vertalen in Utrecht.

Edward van de Vendel over David Colmer

David Colmer vertaalde een aantal boeken van Edward van de Vendel naar het Engels. Dit zegt Edward van de Vendel over David:

“David is een soort kampioen. Hij werkt heel erg hard en is niet alleen heel precies, maar ook standvastig én flexibel. Hij vertaalde drie bundels poëzie van mij en dat is natuurlijk heel erg moeilijk. Vooral als ik na de eerste ronde aangeef dat er ‘meer zou moeten rijmen’. Maar hij gaat dan gewoon door, in voortdurend overleg, tot er gedichten en versjes staan die soms, ik moet het toegeven, in het Engels béter zijn dan in het origineel.”

David Colmer: “Een goed boek heeft een soort magie en het verbaast me nog steeds dat ik daaraan heb mogen bijdragen”

Ik kom uit Australië en ben opgegroeid in een groot gezin als de achtste van tien kinderen. Mijn familie en omgeving waren volstrekt eentalig en ik ben de enige van mijn broers en zusters die vreemde talen spreekt. Die talen heb ik trouwens pas in het buitenland geleerd.

Hoewel ik altijd veel interesse in de literatuur had, studeerde ik in Australië medicijnen, maar liet dat uiteindelijk voor wat het was en ging op reis. Ik ben getrouwd met een Nederlandse vrouw die ik in West-Berlijn ontmoette en woon sinds 1992 in Amsterdam. Ik heb twee dochters en een kleindochter. Behalve vertaler ben ik ook schrijver en samensteller van bloemlezingen. Ik vertaal kinderboeken, maar ook romans en poëzie voor volwassenen.

Bare-handsWanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik ben al meteen in 1992 begonnen met vertalen, terwijl ik eigenlijk nog Nederlands moest leren! Het duurde dan ook een tijd voordat ik literaire opdrachten kreeg. Mijn eerste romanvertaling was 228 seconden van stilte van Max Dendermonde (1994), mijn eerste echte kinderboek Blote handen van Bart Moeyaert (1999).

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?Jip-and-Janneke
Als we over kinderboeken praten, waarschijnlijk mijn vertalingen van Annie M.G. Schmidt, zoals Jip and Janneke of een selectie van de gedichten (A Pond Full of Ink / Een vijver vol inkt). Voor volwassenen zijn mijn vertalingen van de romans van Gerbrand Bakker vrij bekend, die hebben ook belangrijke prijzen gewonnen in Ierland en Engeland.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Circa 65, waarvan ongeveer een derde van de titels kinderboeken zijn, een derde romans en een derde poëzie.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Ik vind de uitdaging heel fijn en het plezier dat je krijgt als het lukt om een mooi boek over te zetten naar je eigen taal. Ik houd ervan om iets te maken, iets waardevols helpen toe te voegen. Een goed boek heeft voor mij nog altijd een soort magie en het verbaast me nog steeds dat ik daaraan heb mogen bijdragen.

Het nadeel van vertalen is dat het een solitair beroep is, dus je wordt niet door je werk de maatschappij ingetrokken. Als je een gewone baan hebt, ga je dagelijks intensief om met mensen die je niet per se daarvoor uit zou kiezen. Dat vergroot je begrip van een land. Literatuur doet dat ook natuurlijk, maar op een andere, minder directe manier. Als vertaler leer ik de Nederlandse literatuur beter kennen dan Nederland zelf.

Hoe ga je te werk?
Ik maak altijd een eerste integrale versie, die ik dan een aantal keren, misschien vier of vijf, herschrijf, altijd van begin tot einde. Als het mogelijk is, leg ik de vertaling tussendoor graag een tijd weg, om er opnieuw met frisse ogen naar te kunnen kijken.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Heel veel woordenboeken, zowel Engels als Nederlands, digitaal en papier. Niet alleen vertaalwoordenboeken, maar ook eentalige woordenboeken zoals de Dikke Van Dale en de Oxford English Dictionary, en verder ook specialistische woordenboeken zoals rijmwoordenboeken, of een woordenboek met geschikte bijvoeglijke naamwoorden. Ik kijk ook graag naar bestaande vertalingen van hetzelfde boek in het Duits en soms het Frans. Natuurlijk ook: Google, Google en nog eens Google. Ook Ngrams. Vrienden en collega’s. Engelstalige familieleden. Alles wat ik erbij kan pakken!

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
A-pond-full-of-inkIk ben vrij tevreden over mijn vertalingen van de gedichten van Annie M.G. Schmidt, waarvan een aantal zijn samengebracht in A Pond Full of Ink / Een vijver vol inkt, met illustraties van Sieb Posthuma. Perfectionistisch als ik ben, zie ik natuurlijk ieder keer weer mogelijkheden voor verbeteringen, maar sommige gedichtvertalingen staan heel stevig.

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
De laatste strofe uit Annie’s De mislukte fee. Dit is het origineel:

Ze heeft een gouden slaapsalet
en gouden muiltjes voor haar bed.
En alle heren aan het hof
die knielen voor haar in het stof.
Waaruit een ieder weer kan lezen
dat men als fee mislukt kan wezen
maar heel geslaagd kan zijn als spree.
Dit stemt ons dankbaar en tevree.

In het Engels werd het:

She has a golden bedroom suite,
and golden slippers on her feet,
and dukes and princes, lords and all
are gladly at her beck and call.
If nothing else this goes to show:
A total misfit as a fairy
can be a big hit as a raree.
That kind of thing is nice to know.

Wat was je grootste vertaalblunder?
Ik heb in een boek ooit een paar foutjes gemaakt omdat een deel van de tekst als een soort commentaar in een klein lettertype gedrukt was. Destijds had ik had nog niet in de gaten dat ik aan mijn eerste leesbril toe was. Daardoor heb ik een paar woorden fout gelezen, en als je een keer iets fout gelezen hebt, is het gemakkelijk om dat foutje bij herlezing nog een keer te maken. Gelukkig wordt dat boek binnenkort herdrukt en mag ik de fouten verbeteren. En nu heb ik uiteraard een hele scala van leesbrillen van verschillende sterktes bij de hand, die ik dan pak afhankelijk van lettertype, belichting en weersomstandigheden.

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Bij het vertalen probeer ik steeds de auteur te volgen, dus het is telkens een kwestie van de schrijver nadoen. Je moet de schrijver niet kinderlijker of volwassener maken dan hij of zij is. Dat denk ik, in ieder geval.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?The-cat-who-came-in-off-the-roof
O, zo velen! Maar soms komt een kans om een hervertaling te maken, zoals met Minoes. Dat maakte me heel blij. Nog een boek dat ik graag zou willen hervertalen is Annetje Lie in de holst van de nacht. Het werk van Paul Biegel lonkt ook.

Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Ik ken al een aantal Engelstalige uitgevers met wie ik werk. Soms word ik bij anderen aanbevolen, bijvoorbeeld door het Letterenfonds of Nederlandse uitgevers. Ik ga ook soms naar de London Book Fair, waar ik uitgevers kan ontmoeten.

Waar werk je op het moment aan?
Momenteel heb ik geen kinderboeken onder handen, maar ik ben net klaar met een vertaling van Superguppie van Edward van de Vendel.

Wat lees je in je vrije tijd?
Om te relaxen lees ik graag Engelstalige romans. Dat helpt mij ook om mijn literair Engels op peil te houden. Recentelijk bijvoorbeeld heb ik Lincoln in the Bardo gelezen, een bijzonder vreemd, grappig en ontroerend boek. Soms lees ik ook Engelse vertalingen om te zien hoe mijn collega’s het doen. Een voorbeeld hiervan is Roy Jacobsens prachtige The Unseen in een erg mooie vertaling van Don Bartlett en Don Shaw.

(foto David Colmer © Michele Hutchison)

Try this at home, met Merel de Vink

Om zelf te ervaren hoe lastig vertalen kan zijn, leggen we je op sommige dagen een opgave voor waar je zelf op mag puzzelen. Deze opgave verschijnt om 18:30 (maar dus niet alle dagen). Heb je een mooie oplossing bedacht? Zet hem dan in de reacties hieronder.

Vandaag weer een Duitse opgave. Merel de Vink leverde dit fragment aan:

“Quatsch. MRT heißt Magnetresonanztomografie. Das Gerät dazu heißt Magnetresonanztomograf.”

Hä? Mir fallen gleich die Ohren ab. Was heißt das? Tom sieht unsere erstaunten Gesichter und wiederholt ganz langsam: “Magnet-Resonanz-Tomograf. Das ist een Apparat, der ähnlich wie ein Röntgengerät funktioniert: Du schiebst jemanden rein und kannst Fotos von seinem Körperinneren machen.

Uit: Winston Ein Kater in geheimer Mission

Merel de Vink: “Het vertalen van kinderboeken vind ik een van de leukste dingen die er is!”

Al zo lang als ik me kan herinneren hou ik van het lezen van kinderboeken. Tijdens mijn studie Duits aan de Universiteit Leiden en tijdens mijn werk bij uitgeverij Lemniscaat werd mijn liefde voor kinderboeken en taal alleen maar groter. Inmiddels heb ik al ruim vijf jaar mijn eigen bedrijf Leesvink waarmee ik bij basisscholen een goede schoolbibliotheek opzet. Het vertalen van kinderboeken vind ik een van de leukste dingen die er is; als mijn schema het toelaat doe ik het heel graag!

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
In 2008 maakte ik mijn eerste prentenboekenvertaling. Toen werkte ik nog bij Lemniscaat en ging simultaan met de bureauredacteur een prentenboek vertalen. Dit was het boek Welterusten sterren van Anu Stohner. We legden onze vertalingen naast elkaar en kozen de beste formuleringen uit voor de definitieve vertaling. Toen ontdekte ik dat ik wel aanleg heb voor vertalen en dat ik het ook erg leuk vind!

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Coolman-en-ikIk denk de vertaling van 3 boeken over Coolman. Coolman is de imaginaire vriend van de jongen Kay, die zelf een beetje een angsthaas is, maar doordat hij zich gesterkt voelt door de goede adviezen van Coolman durft hij meer dan hij denkt. Een heel grappige serie!

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ik heb 17 boeken vertaald, de meeste van het Duits naar het Nederlands, een paar prentenboeken vanuit het Engels. Daarnaast vertaal ik regelmatig pixi-boekjes (dat zijn mini-prentenboekjes) vanuit het Duits.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Ik wil mezelf niet echt ‘vertaler’ noemen. Ik ben meer een enthousiaste ondernemer die af en toe een boek vertaalt…

Hoe ga je te werk?
Mijn werkwijze is heel afhankelijk van het soort boek. Bij dikkere jeugdboeken lees ik eerst het boek, maak dan een ruwe opzet/vertaling en daarna ga ik finetunen. Bij prentenboeken mag vaak meer: bijvoorbeeld namen veranderen die anders ‘te Duits’ klinken, en ook de tekst hoeft vaak niet één op één vertaald te worden. Een prentenboekenvertaling doet meer een beroep op mijn creativiteit.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Woordenboek, Google Maps (ik wil graag weten hoe de omgeving eruitziet waar het verhaal zich afspeelt) en ik vraag ook regelmatig advies aan andere vertalers.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Tja, dat is een lastige. Ik heb het vertalen dus niet als ‘corebusiness’ dus het moet altijd ergens tussendoor. Bij grotere projecten/dikkere boeken kannibaliseer ik vaak op mijn slaap. Heerlijk om ’s nachts rustig te kunnen werken zonder afleiding van mailtjes, telefoontjes, klanten, vertegenwoordigers, man, kinderen….

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Het mooiste compliment dat ik ooit kreeg was: ‘Ik had helemaal niet door dat ik een vertaling las.’ Daar zit volgens mij de crux: een boek zo vertalen dat het geen vertaling lijkt.

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
Achter-de-stilteMijn allereerste ‘echte’ vertaling was het boek Achter de stilte dat ik voor Lemniscaat vertaalde. Een prachtig maar heftig boek over een meisje dat misbruikt wordt door haar opa, maar ook een mooi subtiel liefdesverhaal. Dit was een zeer ingewikkelde klus, want ik leefde zo erg mee met de hoofdpersoon dat ik soms hardop tegen haar praatte tijdens het vertalen. Dit heeft er denk ik erg raar uitgezien…

Ik was supertrots dat dit boek in de Volkskrant maar liefst 5 sterren kreeg van recensent Pjotr van Lenteren. Hij noemde mijn vertaling ‘smetteloos!’ Het voelde echt alsof ‘mijn kind’ goedgekeurd was. Wel een heel lastig boek voor de verkoop: je geeft een kind niet gauw een boek met zo’n thema voor zijn verjaardag, maar dat is een zorg voor de uitgever…

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Kat-met-een-geheime-missieTechnische dingen vind ik lastig om te vertalen, bijvoorbeeld hoe een machine werkt. Voor het boek Winston, Kat met een geheime missie van uitgeverij De Fontein moest ik vertalen hoe een MRI-scan gemaakt wordt en hoe zo’n apparaat technisch gezien werkt. Daar heb ik wel wat YouTube-filmpjes voor bekeken!

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
Ik had wel graag een boek van Erich Kästner willen vertalen, zoals bijvoorbeeld Dubbele Lotje.

Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Ik acquireer nooit voor vertalingen, veel redacteuren weten me gelukkig zelf te vinden! Ik loop al een flink aantal jaren rond in de kinderboekenwereld, dus ik heb inmiddels een flink netwerk.

Zie je dingen veranderen in het vak?
Wat ik signaleer is dat gelukkig steeds meer uitgevers vertalen niet meer zien als een huisvrouwenbaantje of afgeleid werk, maar dat ze wel degelijk de meerwaarde zien van een goede vertaler ten opzichte van een matige of slechte vertaler.

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, daar maak ik me totaal geen zorgen over. Eerder over het aantal zeer goede kinderboekenvertalers die niet meer piepjong zijn. Zijn er wel genoeg getalenteerde jongere vertalers om straks het stokje over te nemen?

Hoe zou de wereld eruitzien zonder kinderboekenvertalers?
Ik schreef onlangs een blogje over het belang van goede schrijvers en vertalers voor kinderen.

Waar werk je op het moment aan?
Ik ben nu bezig met een prentenboek voor uitgeverij De Vier Windstreken. Het is een lief verhaal over honden in het asiel.

Wat lees je in je vrije tijd?
Het allerliefst lees ik kinderboeken. Meestal meerdere tegelijk. Ik heb net Code Kattenkruid van Jacques Vriens uit en ben zojuist begonnen met Winterhuis Hotel, vertaald door Imme Dros. Maar ook een fijne thriller op z’n tijd schuw ik niet. Ik ‘moet’ voor mijn werk voor schoolbibliotheken sowieso heel veel lezen om bij te blijven en om mijn klanten goed te kunnen adviseren over hun boekencollectie.

De beste van Esther

Esther Ottens vertaalde 115 boeken. Daarvan las ik er ruim 80. Ik sta daar zelf een beetje van te kijken. Volgens mij zijn er maar weinig vertalers bij wie ik zo’n hoog percentage haal.

Het eerste boek dat ik in een vertaling van haar las, was Tijger, tanga’s en tongzoenen, het eerste deel van de Bekentenissen van Georgia Nicolson door Louise Rennison. Dat was een prima kennismaking: ik moest heel hard lachen om het boek en heb het daarna nog een keer gelezen. En nog een keer. En herlezen, dat doe ik niet zo heel vaak.

De boeken die Esther vertaalt zijn vaak realistisch, soms een tikje fantastisch. Meestal bevielen die boeken me uitstekend, daarom vind ik het lastig om uit die 80 boeken een selectie te maken van de allerbeste. Maar uiteindelijk kom ik tot dit lijstje:

  1. Tijger, tanga’s en tongzoenen / Louise RennisonZonnevlerk
  2. Trash / Andy Mulligan
  3. Wie is Julia / Alyssa Brugman
  4. Zonnevlerk / Kenneth Oppel (geweldige trilogie, waarvan alleen het tweede deel door Esther Ottens vertaald werd)
  5. Wonder / R.J. Palacio
  6. Codenaam Verity / Elizabeth Wein (het tweede deel werd door iemand anders vertaald)
  7. Erebos / Ursula Poznanski
  8. Dit laaiende vuur / Estelle Laure
  9. Keverjongen / M.G. Leonard
  10. Het leven is een pannenkoek / Finn-Ole Heinrich

 

Richard Thiel