Ik las tot mijn stomme verbazing dat er mensen zijn die van jongs af aan wisten dat ze (kinderboeken)vertaler wilden worden.
Nou, ik niet.
Ik zat op het vwo en wist tot in de zesde niet wat ik nou eens zou willen studeren. Een pure alfa en dol op taal en boeken, maar toch wilde ik niet zomaar een taal gaan studeren omdat ik om me heen zag dat je daar (anno 1974) niets anders mee kon dan voor de klas gaan staan. En hoewel een school me een fantastische werkomgeving leek en lijkt, wist ik toen al dat ik niet uit de voeten zou kunnen met een klas vol adolescenten die daar helemaal niet willen zijn.
Dus ging ik naar de precomputerdecaan die vlijtig in een boekje bladerend een ‘talige’ studie vond die misschien wel wat voor mij was: Het Instituut voor Vertaalkunde (later –wetenschap) van de UvA in Amsterdam. Helaas al lang ter ziele gegaan, maar wát een feest was dat.
Bij Engels hoopte je te leren vertalen van Ko Kooman, Peter Verstegen en Cees Buddingh’. Die laatste was niet alleen ‘beroemd’, maar ook een ontzettende lieverd die het niet over zijn hart kon verkrijgen om iemand een onvoldoende te geven. Hij hielp me in het derde of vierde jaar aan mijn eerste vertaling: hij moest nog een kinderboek voor
Lemniscaat doen, waar hij eigenlijk geen tijd voor had. Misschien iets voor mij? Het ging om een Engelse bewerking voor kinderen van De Kalevala, Finse mythen en sagen, door Keith Bosley, in het Nederlands uitgebracht als De zilveren meren.
Ik zal nooit vergeten dat er een belangrijk karakter in voorkwam dat Väinämöinen heette – een naam die ik zo vaak heb moeten typen op mijn mechanische schrijfmachientje dat hij er op den duur bijna automatisch uit kwam rollen – en dat ik, toen het boek af was, heb besloten dat het wellicht tóch zinvol zou zijn om blind te leren typen.
Door die vertaling kwam ik min of meer vanzelf in de kinderboekenwereld terecht. Daar ben ik een hele poos gebleven, totdat ik vond dat ik nu ook wel eens voor volwassenen wilde gaan vertalen en me daarop ben gaan toeleggen.
Een jaar of acht geleden sloeg de crisis toe, en waren er ineens veel minder vertalingen te vergeven. Ik had nog nooit zo lang hoeven te zoeken naar werk en stilaan begon de paniek toe te slaan. Ik had net besloten dat ik misschien moest proberen nog eens terug te vallen op mijn oude contacten bij kinderboekenuitgevers, toen ik out of the blue een
mail kreeg van Lemniscaat met de vraag of ik The Fault in our Stars wilde vertalen van John Green. Pas toen ik het boek had gelezen en besloten dat ik dat zéker weten heel graag zou vertalen, is mij duidelijk geworden dat er een nogal onaangenaam luchtje hing om het hoe en waarom van deze vertaling, maar daar wil ik hier liever niet over uitweiden.
Hoe dat ook zij: ik heb het boek vertaald, het was een fantastische klus van een fantastische schrijver en het werd een prijswinnende klapper vanjewelste. Ik kan wel zeggen dat Een weeffout in onze sterren tot op heden mijn succesvolste en bekendste vertaling is geweest.
De boeken van John Green zijn inmiddels verhuisd naar Gottmer, waar hij ook weer verenigd is met zijn vaste vertaalster en zo hoort dat ook. Maar helaas betekent dat het voor mij, wat John Green betreft, bij ‘de weeffout’ zal blijven.
Door dat avontuur ben ik trouwens wel weer in de kinderboeken/YA-wereld beland. De gezellige, jonge uitgeefsters van MEIS & MAAS en van Billy Bones hebben me weten te vinden en voor die laatste ben ik momenteel bezig aan Who Let the Gods out? een hilarisch boek voor kinderen vanaf twaalf jaar waarin je op zeer amusante en spannende wijze kennismaakt met de Griekse goden.
Het zal mijn tachtigste boek zijn, of daaromtrent.
Het fijnste aan vertalen is het gemierenneuk met taal. Dat heerlijke gepriegel met woorden, dat kleien met zinnen – wat wil een mens nog meer?
Daarnaast ben je helemaal je eigen baas: je bent de vertaler en hebt – bij behoorlijke uitgevers – het laatste woord. Je werkt wanneer het jou uitkomt – al is het midden in de nacht – en neemt vrij wanneer jij daar zin hebt. Het enige waar je je aan te houden hebt is je deadline, maar dat is wat mij betreft nooit een probleem geweest.
Wat minder leuk is, is dat je een soort kluizenaar wordt als je niet oppast. Het is een eenzaam beroep en daar moet je tegen kunnen – soms kon ik dat niet zo goed en was ik jaloers op mensen met (zichtbare) collega’s. Niet altijd, mind you…
Ik zal niet met toeters en bellen uitgeleide worden gedaan als ik met pensioen ga en geen hedendaags equivalent van het gouden horloge gepresenteerd krijgen, maar daar kan ik mee leven.
Een perfecte vertaling bestaat niet. Ik ben naast vertaler ook amateurschilder en heb ontdekt dat er veel overeenkomsten bestaan tussen die beide bezigheden: je kunt eindeloos blijven pielen en prutsen, maar uiteindelijk moet je het bewuste besluit nemen dat het ‘af’ is. Soms helpt het om een poosje afstand te nemen; je wordt zowel voor taal als voor kunst enigszins blind als je er te lang met je neus bovenop zit. Maar ‘klaar’ of ‘perfect’ wordt het nooit. Ik denk niet dat ik in mijn leven één schilderij of vertaling heb gemaakt waar ik, als ik er nu op terug zou kijken, niet weer van alles aan zou kunnen/willen veranderen, maar dat geeft niet.
Een aantal voorgangers in deze rubriek heeft al aangegeven dat het mooiste wat je als vertaler kan overkomen is als mensen zeggen dat ze tijdens het lezen helemaal niet in de gaten hadden dat ze een vertaling aan het lezen waren. Dán benadert je vertaling de perfectie.
Het allerlastigste om te vertalen – en ook dat is hier al eerder gememoreerd – vind ik enerzijds taaie landschapsbeschrijvingen waar maar geen eind aan komt. Paul Theroux is daar een meester in! En ‘actie’: de uitgebreide beschrijving van een ninja-achtig gevecht tussen Elizabeth, Queen of England en de demon Psycho, die ik net achter de rug heb, bijvoorbeeld. Anderhalve bladzijde lang wordt er gesprongen, gerend, gevallen, geflikflakt, gestruikeld, getold, gevlogen, geklauterd enz. enz. Om daar – zónder die handige Engelse gerund – een lopend, spannend en vooral leesbaar geheel van te maken, blijf ik lastig vinden.
Het verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen is niet dat het een moeilijker zou zijn dan het ander, maar zit hem vooral in het feit dat je bij kinderboeken enigszins beperkt wordt in je woordkeus. Wat het vertalen van kinderboeken dus eigenlijk extra moeilijk maakt. Hoewel je een gigantisch vocabulaire tot je beschikking hebt, kun je daar niet vrijelijk uit putten omdat je rekening moet houden met de leeftijd van je lezers. Dat was ook een van de redenen waarom ik op zeker moment heb besloten om over te stappen op volwassenenliteratuur: het leek me heerlijk om eindelijk eens alle remmen los te gooien en gewoon het mooiste woord te kiezen dat bij me opkwam zonder rekening te hoeven houden met het begripsniveau van de lezer. Heerlijk!
Twee schrijfsters zou ik dolgraag willen vertalen: Tony Morrison en Sue Monk. Helaas hebben ze allebei al uitstekende vertalers…
Ik geef sinds vorig jaar les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Als je voor zo’n groep van enthousiaste mensen staat die niets liever willen dan literair vertalen, word je gedwongen om allerlei zaken die je ondertussen bijna automatisch doet, nader te beschouwen en te beredeneren. Dan blijkt dus ook dat allerlei dingen waar jij erg aan gehecht bent, voor met name de twintigers en dertigers in de groep helemaal niet meer zo logisch zijn en dat je misschien je adagio ‘als vertaler ben je ook conservator van de Nederlandse taal’ enigszins zult moeten bijstellen.
Ik blijf vinden dat ‘zich beseffen’ en ‘zich ergens aan irriteren’ absoluut niet kan, maar geldt dat ook voor ‘hoe… hoe…’ in plaats van ‘hoe… des te…’ of voor ‘wat als?’ in plaats van ‘stel dat…?’
Taal is in beweging, maar hoe snel en in welke mate moet je daar als vertaler in meegaan?
Wat me in elk geval ook duidelijk is geworden, is dat we voorlopig als literair vertalers niets te duchten hebben van computervertalingen. Wordt de les soms wat saai en ernstig, dan hoef je maar een paar door de computer vertaalde fragmenten uit te delen en de boel is zo weer opgevrolijkt.
Dus, nee, ik maak me geen zorgen over computervertalingen; voorlopig zijn wij pietluttige, woordkleiende, taalliefhebberige (kinder)boekenvertalers nog heel hard nodig!





Tot eind 2013 was ik chef redactie bij de jeugdbladen van Sanoma, waaronder Donald Duck en Tina. Na de reorganisatie daar bleek het makkelijker om vertaalwerk te vinden dan redactiewerk. In het begin heb ik nog wel wat gefreelancet als redacteur, maar nu vertaal ik bijna alleen nog maar. Dat had ik veel eerder moeten gaan doen!
Het dit jaar verschenen Sam Breker en het gevecht van de superschurken was echt zó leuk om te vertalen. Het speelt zich af in een ‘super’wereld en gaat over een jongen wiens ouders superschurken zijn, maar zelf is hij eigenlijk gewoon een goedzak. In dit boek moet hij leren om een superschurk te worden. Het leuke eraan was dat het volstond met rare, grappige namen en daar moesten we Nederlandse alternatieven voor verzinnen. Heel melig werden we daarvan. Wel fijn als je dat soort dingen met z’n tweeën kunt doen!

Ik heb vorig jaar een thriller vertaald uit het Italiaans van Barbara Baraldi, en zij heeft ook een aantal YA-boeken geschreven. Die heb ik nog niet gelezen, wel in de kast staan, maar het lijkt me heel leuk om die boeken van haar ook te vertalen. Ze schrijft heel goed en haar boeken worden in Italië goed ontvangen, dus ik heb er alle vertrouwen in. Bovendien had ik heel prettig contact met haar tijdens het vertalen van Aurora nel Buio, dus het lijkt me leuk om vaker samen te werken.
Mijn vertalingen in de serie De Oerknagers van Geronimo Stilton zijn misschien de bekendste.
Mijn vertaling Maffiajongen van de Italiaanse schrijfster Luisa Mattia. Zij won in Italië een prijs met dit boek. Ik heb het boek niet alleen vertaald, maar ook zelf uitgegeven en het werd goed ontvangen. Daar ben ik best trots op.
een geweldig verhaal vind. Ik keek het bijna iedere kerst op tv en griezelde telkens weer bij de geesten die verschenen. Nadat ik met mijn gezin een interactieve theatervoorstelling van dit verhaal bijwoonde, die bestond uit een stadswandeling waarin je het verhaal echt zelf beleefde, ging het ineens als een trein.
Pas echt interessant werd het toen ze boeken ging vertalen voor de Vlaamse imprint Edge. Ik raakte in de ban van Mara Dyer (geschreven door Michelle Hodkin), maar vooral door de The Lunar Chronicle-boeken van Marissa Meyer. Cinder vond ik een van de fijnste sf YA die ik in jaren had gelezen.
zes boeken door. En een paar maanden later genoot ik van Charlie en ik, van Mark Lowery.



In 2006 kwam mijn eerste boekvertaling uit, De betovering begint van de tv-serie Charmed. Ik was helemaal dol op die serie, en dus ook maar wat trots dat ik daar een boek van mocht vertalen. Er volgden er gelukkig nog meer, en ook verhalenbundels en een Episode Guide waar ik al mijn opgedane kennis en fangirling heerlijk in kwijt kon.
op plek twee staan. Of de drie boeken van De monstersnackbar van David O’Connell.
Haha, niet echt een blunder, maar in Olivier en de dwaaleilanden wordt een verloren stad genoemd die Propacopaketl heet, zogenaamd iets Azteeks. Pas toen de Hongaarse vertaler vroeg wat ik van een paar termen in dat boek had gemaakt, viel het kwartje: proper copper kettle. Daar kon ik tegen die tijd helemaal niks meer mee, dus in ons boek is het de Verloren Stad Propacopaketl gebleven, wel met die Azteekse sfeer. (Het kwam ook wel helemaal een keer voor in het hele boek.)
The Truth Pixie van Matt Haig lijkt me geweldig, vooral ook omdat het boek een belangrijke boodschap voor kinderen bevat. (Maar ik zag dat ik niet de eerste ben die die titel noemt!) De serie The Uncommoners van Jennifer Bell lijkt me ook nog steeds een heerlijke klus; die serie heeft een behoorlijke Harry Potter-vibe. En de boeken van Sinéad O’Hart of de Nine Lives-trilogie van E.R. Murray.
Mijn eerste vertaling was Poppe en Beer van Jos Lammers, in 1995 verschenen bij Anrich Verlag.
Dat zal Gips zijn, van Anna Woltz, dat ook in Duitsland veel prijzen heeft gewonnen. De leukste was misschien wel de ‘Katholischer Kinder- und Jugendbuchpreis’, uitgereikt in het Erzbischöfliche Palais in Wenen. Anna was hoogzwanger en deed haar dankwoord per video. Ik deed het mijne live. Aan het einde verzocht ik iedereen om voor een foto voor Anna een tijgermasker op te zetten (zie beneden). Dat was een belangrijk voorwerp in het boek. Bisschoppen en kardinalen met zo’n maskertje op, ik vond het wel bijzonder!
De vertaling van Perenbomen bloeien wit van Gerbrand Bakker was voor mij een heel mooie belevenis. Intussen ben ik goed bevriend met Gerbrand, maar toen ik het boek vertaalde had ik hem nog nooit ontmoet. Ik ging zitten, las zijn Nederlandse zinnen en hoorde in mijn hoofd onmiddellijk een Duitse stem. Ik hoefde het alleen maar op te schrijven. Dat neemt niet weg dat je na afloop heel scherp corrigeert en samen met een redactrice nog tot hele andere oplossingen komt, dat doe je altijd; maar die eerste versie ontstond op een bijzonder intuïtieve manier.
En Sleuteloog van Hella Haasse! Een prachtige roman die ik samen met collega Birgit Erdmann heb vertaald. Voor de allerlaatste versie zijn we een week in een Oostenrijks dorpje bij elkaar gekomen. Heel stil, heel zonnig, met koeien en jonge poezen. Vrolijk en sereen was de sfeer.
In Mees Kees. Een pittig klasje van Mirjam Oldenhave legt Mees Kees uit waarom het belangrijk is om woorden goed van elkaar te scheiden. ‘Jemo Etan der Slezen’ schrijft hij op het bord en dat is ook de titel van een hoofdstuk. Als je de letters op een andere manier van elkaar scheidt, staat er: ‘Je moet anders lezen’ en dit soort woordspelletjes moeten ECHT WERKEN. Als het niet werkt of maar zo’n beetje, is dat heel pijnlijk.
Nog een voorbeeld: in de populaire Dummie-serie van Tosca Menten, waarvan ik met veel plezier een paar delen heb vertaald, gebruikt vader Klaas constant de woorden Plofzak Drollemans. In het Duits is dat Heiliger Hasenpups geworden. (Een medebewoonster leest het trouwens net voor aan haar kinderen en ze liggen elke dag dubbel van het lachen, erg leuk om te zien en een fijne bevestiging van mijn keuze).