Ineke Lenting: “Ik doe niets liever dan vertalen”

Ik ben geboren in Groningen en heb mijn jeugd doorgebracht in een gehucht (Steendam) aan de oever van het Schildmeer. ’s Zomers zat ik op zee, op de kustvaarder van mijn vader, en daar las ik de hele boekenkist van de scheepsbibliotheek leeg.

Na mijn studie Engels aan de Universiteit van Groningen heb ik tien jaar als docent Engels voor de klas gestaan. Het was een mooie tijd, leerzaam, soms zwaar, vaak vermakelijk. Na een verhuizing was het moeilijk om elders vergelijkbaar werk te vinden, en na allerlei losse baantjes pakte ik een oude droom op: vertalen. Eerst vertaalde ik alles wat los en vast zat, maar geleidelijk aan kreeg ik een voet tussen de deur bij de boekenuitgevers.

Ik woon in Doetinchem, heb twee volwassen dochters en deel mijn huis met mijn hond, Berend, een boerenfox.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ruim twintig jaar geleden ben ik begonnen met het vertalen van boeken. Eerst literatuur voor volwassenen, maar ergens rond 2000 werd ik opgebeld door de uitgever van Vassallucci (een mooie uitgeverij, helaas ter ziele) met het verzoek een paar De-zeer-volhardende-gappers-van-Fripkinderboeken te vertalen. Dat waren Dagboek van een prinses, van Meg Cabot, en het heerlijke De zeer volhardende Gappers van Frip, van George Saunders. Dagboek van een prinses vertaalde ik toen mijn jongste dochter puber was, en voor het juiste register hoefde ik alleen maar naar de gesprekken tussen haar en haar vriendinnen te luisteren. De Gappers van Frip werd in 2003 met een Zilveren Griffel bekroond. Stiekem vatte ik de onderscheiding op als een stempel van goedkeuring voor mijn werk.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
De bekendste zijn zonder enige twijfel mijn vertalingen van de thrillers van Karin Slaughter. Het bekendste jeugdboek misschien Dagboek van een prinsesDagboek-van-een-prinses?

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Inmiddels heb ik ruim honderd boeken vertaald, jeugdboeken, thrillers en volwassen literatuur.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Het fijnste aan mijn beroep? Het heeft zoveel fijne kanten: lekker met taal spelen, eigen baas zijn, met krakende hersens oplossingen bedenken, mijn eigen tijd indelen, koffie drinken wanneer ik er zin in heb, collega’s ontmoeten… De lijst is bij lange na niet compleet. En het minst fijne? Met mezelf moeten leuren, uitgevers vragen of ze werk voor me hebben, administratie…

Hoe ga je te werk?
Vrijwel altijd lees ik het te vertalen boek van begin tot eind en zoek her en der wat op over schrijver en werk. Dan begin ik te vertalen. Aan het einde van elk hoofdstuk lees ik mijn werk door, bij wijze van eerste correctie. Wanneer ik de vertaling af heb, neem ik deze hoofdstuk na hoofdstuk en zin na zin door, en daarna lees ik elk hoofdstuk nogmaals, maar nu hardop. Vervolgens print ik het hele zaakje en lees de vertaling van papier. Pas dan mag het werk de digitale deur uit.

Alleen bij de boeken van Karin Slaughter begin ik na het lezen van elk hoofdstuk meteen te vertalen. Dat komt doordat er een enorme druk op de vertaling zit. Haar boeken worden het eerst in het Nederlands uitgegeven, dus ik moet vóór de Engelstalige fanfare uit lopen. De eerste drie maanden van het jaar zijn dan ook altijd ware Slachtmaanden.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Computer, laptop, woordenboeken (digitaal en papier), naslagwerken, Wikipedia, en mijn hond, die me dwingt een aantal keren per dag naar buiten te gaan en mijn hersens leeg te lopen.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Ik ben een ochtendmens en begin het liefst vroeg. Na twaalven moet ik eerst mijn middagdip verwerken, maar om een uur of twee begint de machine in mijn bovenkamer weer warm te lopen. ’s Avonds ben ik ook scherp, maar ik werk dan alleen als het echt nodig is. En tussendoor dus lekker naar buiten met Berend.

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Vooropgesteld dat perfecte vertalingen niet bestaan, zou ik zeggen dat een goede tot uitstekende vertaling recht doet aan het origineel en dat de brontaal er niet doorheen mag schemeren. Tegelijkertijd mag/moet de vertaler zich een zekere mate van vrijheid veroorloven. Dat laatste geldt vooral voor kinderboeken, die misschien nog meer dan volwassen literatuur een appel doen op de creativiteit van de vertaler.

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
Ik weet niet over welke vertaling ik het allertevredendst of het minst tevreden ben. Wat jeugdliteratuur betreft heb ik met buitengewoon veel plezier gewerkt aan de Chaos-trilogie van Patrick Ness. Aanvankelijk vond ik het moeilijk om de ‘stem’ van Todd, de hoofdpersoon, te vinden, want hij heeft een eigen taal. Maar toen ik zijn stem eenmaal te pakken had, begon die te leven in mijn hoofd, en elke dag weer dook ik ‘vol vreugde’ in de duistere wereld die in de trilogie wordt beschreven. Ik vind het heel jammer dat er in Nederland niet meer belangstelling is voor het werk van Patrick Ness, een fantastische auteur met een fijne pen en thema’s die tot nadenken stemmen.

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
Hoe-tem-je-een-draakVoor het boek Hoe tem je een draak van Cressida Cowell (Vassallucci, 2004) mocht ik helemaal losgaan op de heerlijk bizarre namen die de schrijfster voor haar personages had verzonnen. Een feest! Een fragment:

‘OPLETTEN!’ schreeuwde Rochel de Bulk, de soldaat die de jongens alles over Inwijding moest bijbrengen. ‘Dit wordt jullie eerste militaire operatie, en Stikkum gaat het bevel over jullie voeren.’

‘O, niet Stik-kum,’ kreunden Meurbek de Mafknar en bijna alle overige jongens. ‘U kunt Stikkum echt niet als leider aanstellen, meneer, hij is WAARDELOOS.’

Doodongelukkig veegde Stikkum Stoere Steurkop de Derde, Hoop en Toekomstig Hoofd van de Stam van de Harige Hufters, zijn neus af aan zijn mouw. Hij zonk nog iets dieper weg in de sneeuw.

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Ja, er is verschil, durf ik als vertaler van beide te stellen. Bij beide is creativiteit een van de sleutelwoorden, maar bij jeugdliteratuur zit er een wat speelser randje aan. En het vertalen van kinder- en jeugdboeken is beslist niet gemakkelijker dan het vertalen van volwassen literatuur…

Welk boek dat nog niet vertaald is, wil je graag vertalen?
Ik zou heel graag meer boeken van Patrick Ness willen vertalen. Zijn stijl, zijn verhalen, het is allemaal zo mooi en origineel… Zijn werk weet me te raken.

Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Er is een tijd geweest dat ik geen enkele moeite hoefde te doen om aan werk te komen. Uitgevers wisten me te vinden en vaak moest ik wegens tijdgebrek nee zeggen. Dat is nu heel anders. Er worden minder buitenlandse boeken aangekocht, ook duiken uitgevers onder de voorwaarden van het modelcontract (en ik vertaal uitsluitend voor het modelcontract). Verder is er veel verloop op de redacties van uitgeverijen, en zo kan je naam zomaar uit beeld verdwijnen. Nu moet ik weer hevig de markt op om mezelf te verkopen, maar dat neem ik voor lief, want ik doe niets liever dan vertalen…

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Ik maak me totaal geen zorgen om computervertalingen. Kom maar op, vertaalcomputer, dan zal ik je een poepie laten ruiken!

Hoe zou de wereld eruit zien zonder kinderboekenvertalers?
Leeg…

Waar werk je op het moment aan?
Op dit moment vertaal ik ‘Rebel Cats – Brave Tales of Feisty Felines’, van Kimberlie Hamilton, een boek over bijzondere katten door de eeuwen heen (verschijnt volgend jaar bij Van Goor). Ik hou van katten, dus de vertaling is aan mij wel besteed.

Wat lees je in je vrije tijd?
Nederlandse en Engelstalige literatuur, vooral fictie, en ik probeer de Nederlandse jeugdliteratuur zo goed mogelijk bij te houden. En met plezier!

Try this at home, met Edward van de Vendel

Om zelf te ervaren hoe lastig vertalen kan zijn, leggen we je op sommige dagen een opgave voor waar je zelf op mag puzzelen. Deze opgave verschijnt om 18:30 (maar dus niet alle dagen). Heb je een mooie oplossing bedacht? Zet hem dan in de reacties hieronder.

Vandaag een opgave in het Frans, van Edward van de Vendel.

Een stukje uit het tweede boek over de beer Björn, van Delphine Perret, Björn et le vaste monde, voor uitgeverij Davidsfonds. Daar ben ik nu aan bezig:

Björn est un ours.

Un ours se réveille au printemps après avoir dormi plusieurs mois.

Il a la lange pâteuse et l’air un peu maigrichon, mais après une courte toilette il n’y paraît plus.

Comme chaque année, avant d’aller inspecter tout ce qui a pu changer pendant l’hiver, Björn fait quelques pas devant sa caverne et s’étire les orteils.

Edward van de Vendel: “Het is heel leerzaam om zo dicht bij de tekst van een andere schrijver te zijn”

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
De eerste vertalingen die ik maakte waren prentenboeken van Carll Cneut waarvoor Carl Norac de Franse tekst had geschreven, maar die in Vlaanderen uitkwamen. Dat was in Het-grote-boek-van-vergeten-prinsessen2003 en 2005. In 2006 vroeg uitgeverij Davidsfonds me voor een dikker boek: Het grote boek van vergeten prinsessen van Rébecca Dautremer en Philippe Lechermeier. Vanaf dat boek ben ik steeds meer gaan vertalen.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Ongetwijfeld de De waanzinnige boomhut-reeks.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Oef, ik denk zo’n negentig boeken?

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Het is heel leerzaam om zo dicht bij de tekst van een andere schrijver te zijn. Ik denk dat ik er veel aan heb voor mijn eigen werk als schrijver. Daarnaast is het overzichtelijk werk: ik weet hoeveel bladzijden er nog te gaan zijn. Het minst fijn zijn stukjes op rijm, die duren veel langer, ha ha.

Hoe ga je te werk?
Heel systematisch. Ik schat in hoeveel bladzijden ik op een dag kan doen (vijf, tien of twintig) en plan dan een bepaalde tijd in waarin ik elke dag dat quotum probeer te halen. Ik vertaal direct, bladzijde voor bladzijde, en lees het geheel daarna nog een keer helemaal na.

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Dat kinderen denken dat het in hun taal geschreven is, en dat volwassenen vergeten dat het boek oorspronkelijk in een andere taal was. Oftewel: dat de vertaler volledig onzichtbaar is.

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Heel leuk was Het geheime dagboek van Klein Duimpje, gewoon omdat het zo’n prachtig boek was, met overal grapjes en kleine kriebeltekstjes. De waanzinnige boomhut is ook leuk, omdat het zo naturel is en ik elke keer weer verrast ben wat Andy nu weer als De-verschrikkelijke-meneer-Gom-heeft-een-planoverkoepelend avontuur heeft bedacht. Ook de Meneer Gom-reeks is erg fijn, vanwege de werkelijk grappige absurde manier van vertellen, dan komt het heel erg op timing aan.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Merchandising vind ik lastiger, en dan met name de puzzels die in het Doeboek van De waanzinnige boomhut-serie staan. Die moeten helemaal opnieuw opgebouwd worden in het Nederlands.

Je vertaalt uit verschillende talen, onder andere Frans, Engels, Duits en Zweeds. Welke taal heeft je voorkeur? Loop je bij verschillende talen tegen verschillende moeilijkheden aan?
Ik heb eigenlijk geen voorkeur. Als een boek goed geschreven is ben ik alleen maar dankbaar dat ik het mag doen. De Scandinavische taal die ik ooit leerde is Noors, en van daaruit vertaal ik ook uit het Deens en Zweeds – zolang het voor jonge kinderen is. Op zich is vertalen uit het Zweeds dus het lastigst, ik moet meer woorden opzoeken, maar ik mag wel de boeken vertalen van de door mij zeer bewonderde Ulf Stark!

Van welke schrijver zou je graag eens een boek vertalen?
Ooit is me een boek van John Green aangeboden, maar daar heb ik nee tegen moeten zeggen vanwege tijdgebrek. Ik heb sowieso over het algemeen geen tijd om young-adultromans te vertalen, maar John Green, pfoe ja, dat vond ik echt heel erg jammer.

Welk boek dat nog niet vertaald is, wil je graag vertalen?
Er zijn veel Noorse boeken die ik met plezier zou doen. Werk van Bjørn Sortland bijvoorbeeld, maar ook het kinderboek van zanger en violist Alexander Rybak, Trolle en de toverviool, wat een goed boek plus een musical is, met fijne liedjes.

Je schrijft ook zelf boeken. Als je een ding moest kiezen, wat zou het dan zijn: vertalen of schrijven?
Dat is op het ogenblik een moeilijke keuze. Ik vind dat die twee elkaar echt aanvullen. Ik doe het liefst allebei, maar als er een kwade kinderboekendjinn zou bestaan die me een met duistere diamanten versierd mes op de keel zou zetten dan zou ik uiteraard voor het zelf schrijven kiezen.

Verschillende boeken van jou zijn vertaald. Als een boek vertaald is in een taal die jij beheerst, lees je dat boek dan? En zo ja, kijk je dan vooral als schrijver, of als vertaler?
Ik vind het het fijnst als ik betrokken word bij de vertaling, als het gaat om een taal die ik beheers. Ik bedoel: dat de vertaler me zijn versie laat lezen voordat het gedrukt gaat worden. Gelukkig heb ik meestervertalers naar het Duits en het Engels, David Colmer en Rolf Erdorf die ik niet alleen grenzeloos vertrouw, maar me inderdaad op de hoogte houden. In andere talen is dat natuurlijk niet mogelijk, ik ben dan gewoon erg blij dat zo’n land mijn werk wil uitgeven.

Bij het bekijken van je bibliografie viel het me op hoe productief jij bent. Alleen al in 2018 telde ik 4 boeken die je hebt geschreven, en 14 boeken die je hebt vertaald. Daarnaast werk je mee aan verschillende initiatieven op het gebied van lezen, schrijven en muziek. Hoe combineer je dat allemaal?
Ik zou het niet weten. Ik vind alles erg leuk en ook belangrijk om te doen. Ik heb wel veel minder lezingen moeten aannemen de laatste jaren. Queerlezen vraagt niet zoveel extra werk omdat ik de boeken die we daar bespreken toch wel zou lezen en we geen uitgebreide recensies schrijven. Eurostory is het literaire-journalistieke online magazine dat ik met andere schrijvers samen in april en mei maak, rondom het Eurovisie Songfestival. Daar maak ik ruimte voor in mijn schema. ABCyourself is een continue begeleiding van jonge auteurs en die afspraken kunnen ook na een dag vertalen of schrijven. Het is allemaal wat puzzelen soms, en de kinderboekendjinn verhoede dat ik niet ziek word, maar nu gaat het allemaal nog.

Irma van Welzen: “Het fijnste aan vertaler zijn is het pure vakmanschap”

Er is een patroon. Van jongs af aan hield ik altijd al veel van lezen, boeken, tijdschriften, bibliotheken en boekhandels. Ik heb Italiaanse taal- en letteren gestudeerd, Theaterwetenschap en Algemene Literatuurwetenschap. Tijdens mijn studie had ik al veel baantjes en via KPN Telecom belandde ik van het organisatieadvieswerk in de uitgeverijwereld.

Daarna begon ik een eigen bedrijf gericht op leesbevordering en leespromotie en werkte o.a. voor de Stichting Lezen. Het boek Voorlezen gaat zó heb ik in die periode met Margriet Chorus geschreven. Toen kwam ik in de leiding van jeugdtheater Kwatta terecht.

De verhuizing met het gezin naar Italië luidde de start in van mijn eigen kinderboekenuitgeverij: tutti. Ik kom altijd weer bij boeken uit en heb het voorrecht dat ik boeken vertaal die ik ook zelf heb uitgekozen.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Het-verhaal-van-de-beer-met-zijn-zwaardMijn eerste vertaling was het prentenboek Het verhaal van de beer met zijn zwaard, maar ik deed dit niet alleen. Toen nog onzeker had ik Loes Randazzo naast mij. Makkelijk natuurlijk, het was een korte tekst. Erg belangrijk voor mij was het ritme van de zinnen. Met een groep vrijwilligers hadden we in het dorp intussen een voorleesgroep. We haalden alle klassen naar de bibliotheek en lazen ze voor en hielpen ze bij het uitkiezen van boeken. Op de kleuterschool gingen we bij ze langs. Daar heb ik het oorspronkelijk Italiaanse boek getest in alle groepen voordat ik de rechten aankocht. Dus ik keurde de Nederlandse tekst ook pas goed nadat ik het boek heel vaak hardop had gelezen. Mijn toen nog jonge kinderen luisterden graag. En het hardop lezen van een Toto-Aromatekst is nog steeds de check of het ritme, de zin goed loopt.

Mijn eerste echte zelfstandige vertaling was Toto Aroma, uitvinder van de pizza van Roberto Piumini. Hij is een zeer bekende Italiaanse kinderboekenschrijver en kwam op bezoek in een stadje bij ons vlakbij. Je ziet hem met mij op de foto. Ik was net met de vertaling bezig en worstelde met een uitdrukking in zijn boekje, die twee keer voorkwam. Ik had wel een vermoeden wat hij bedoelde maar ook mijn Italiaanse vrienden konden geen definitief uitsluitsel geven. Het was dus een uitgelezen gelegenheid om hemzelf te vragen wat hij er precies mee bedoelde. Hij begeleidde zijn antwoord met die typisch brede Italiaanse armgebaren en een grote glimlach en zei: ‘ach ik verzon zo maar wat.’ Hij was het eens met mijn voorgestelde interpretatie en het werd ‘Kom dan, pak me dan.’

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Op-naar-ParijsIk geef de voetbalboeken serie Gooal! van Luigi Garlando uit en ik heb de laatste twee delen 6 en 7 vertaald. Toen ik begon met de serie had ik gewoon geen tijd om dat zelf te doen en heeft Peter Jansen dat zeer goed gedaan. Ik was ook een kritische lezer en redacteur van die eerste delen omdat ik als ouder toen helemaal ondergedompeld was in de hele gezellige ambiance van Italiaanse jeugdvoetbalteams omdat mijn twee zoons voetbalden. Dus de terminologie en het hele praten over voetbal – met ook een voetbalgekke echtgenoot – de spanning op het veld en op de tribune met die ouders, hoe de trainer ‘mister’ met die kinderen omgaat, ik zat er middenin. Toen ik, door de crisis gedwongen, minder boeken ging uitgeven nam ik het vertalen zelf op mij ook omdat ik intussen meer ervaring had.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Niet zoveel, het zijn er 9.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Het fijnste aan vertaler zijn is het pure vakmanschap: het goede woord op de goede plek in juist die specifieke context vinden. Je bent als je uit het Italiaans vertaald ook steeds bezig met de cultuurverschillen en met het verkleinen van dat verschil door het gebruik van de juiste taal.

Het minst fijne is als je een paar zinnen of woorden maar niet goed vertaald krijgt. Dan moet je het gewoon even laten en overslaan. De volgende dag of een paar dagen later lukt het meestal wel. Of gewoon hulp inroepen. En dat kan dan weer leuk zijn.

Hoe ga je te werk?
Ik heb het boek als uitgever al gelezen en ga gewoon beginnen. Ik hou op papier alle namen bij en de situaties of voorwerpen waarvan ik weet dat ze vaker terugkomen om de consistentie te bewaken.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Ik gebruik ouderwets papieren woordenboeken, LoZingarelli en de Van Dale Nederlands. Er is geen groot Italiaans – Nederlands woordenboek. Ik gebruik ook online woordenboeken van Treccani bijvoorbeeld en check voor termen en synoniemen veelvuldig internet. Dat is toch echt wel een uitkomst. Soms is het zo leuk om iets uit te zoeken dat ik me daarin verlies.

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Naar mijn mening bestaat de perfecte vertaling niet. Kijk naar de wereldliteratuur, veel verschijnt steeds opnieuw in vertaling, omdat taalgebruik over de decennia wijzigt. Ik las mijn kinderen een jeugdfavoriet van mij voor: Lawines razen van An Rutgers van der Loeff. Ik merkte dat ik al voorlezend onbewust af en toe het taalgebruik aanpaste, omdat die woorden nu niet meer gebruikt worden en mijn kinderen ze dus niet kennen. Het gaat niet om moeilijke woorden, maar om woorden die gewoon uit het dagelijks taalgebruik langzaam verdwijnen. Dus een ‘veroudering’ van een vertaling van een jeugdboek kan ook voorkomen.

Een goede vertaling bestaat wel, namelijk die recht doet aan het origineel wat betreft taal en taalnuances maar ook wat betreft sfeer. En dat laatste is dan ook meteen het moeilijkste. Een boek waaraan je niet merkt dat het vertaald is.

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
Vergeten-stedenIk ben tevreden over de vertaling van Vergeten steden van Guido Quarzo. Een reiziger in een ver verleden vertelt over de steden die hij heeft bezocht. Het zijn mysterieuze filosofische verhalen waarin je duidelijke parallellen vindt met de huidige maatschappij. Het boek heeft ook prachtige recensies gekregen.

Wat was je grootste vertaalblunder?
Het laatste boek dat ik vertaalde was niet echt een kinderboek. Grammatica van de fantasie van Gianni Rodari gaat over het belang van het stimuleren van fantasie bij kinderen met behulp van taalspel en verhalen. Er komen heel veel verwijzingen in voor naar filosofen, wetenschappers en andere schrijvers. Deze checkte ik dus allemaal en voorzag ik ook van een noot. In al mijn enthousiasme heb ik toen twee broers, hoge geestelijken, door elkaar gehaald. Zijn naam is verbonden aan een bekend instituut in de regio waar ik woonde. En dan ga je er automatisch van uit dat aan hem gerefereerd wordt. Ook heb ik doodleuk een Franse titel van een boek vertaald alsof het een Italiaans woord was. Dus dit heeft nu een nieuwe Nederlandse titel… Komt weer goed in de tweede druk.

Maar in datzelfde boek zitten ook mooie stukjes waar ik wel tevreden over ben.
Rodari geeft als voorbeeld dat je met een willekeurig woord bijvoorbeeld ‘SASSO’ (steen in het Nederlands) nonsensverhaaltjes kunt maken. Voor elke letter waar het woord uit bestaat schrijf je een woord op met die beginletter. Het moet het eerste woord zijn dat in je opkomt. Voor SASSO komt hij dan met:
‘Sulla Altalena Saltano Sette Oche’. Letterlijk vertaald: Op de schommel gaan zeven ganzen heen en weer.
Zijn tweede versie is:
‘Settecento Avvocati Suonavano Settecento Ocarine’. Dat betekent letterlijk: Zevenhonderd advocaten bespeelden zevenhonderd stenen fluitjes.

Het woord STEEN was in het hele hoofdstuk belangrijk voor zijn gedachtegang en rondom dat woord werkt hij nog andere taalspelletjes uit. Ik moest dus voor het woord STEEN op zoek gaan naar een overeenkomst, een relatie, tussen de laatste woorden Oca en Ocarine. Ik kwam op (eekhoorn) Nootjes en (muziek) Noten. En zo kon ik ook het muziek maken erin verwerken. Het werd:
‘Stevige Toeristen Eten Eekhoorn Nootjes’ en
‘Stoere Tonen Eisen Eenvoudige Noten’.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Hele technische beschrijvingen zijn niet mijn sterkste punt. Zoals een beschrijving van een uitvinding van Leonardo Da Vinci, waarover ik ook niets aanvullends kon vinden in andere bronnen. Samen met de eindredacteur ben ik er uitgekomen. En bij mooie meanderende Italiaanse zinnen is het soms verleidelijk om er heerlijk in mee te gaan, maar in het Nederlands werkt dat gewoon niet dus moet je gaan knippen.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
Ik was toentertijd nog niet zelf bezig met vertalen, maar toen ik de eerste Nederlandse Harry Potters las dacht ik meteen hoe leuk het moet zijn geweest om die te vertalen. En Wiebe Buddingh’ heeft dat uitstekend gedaan.

Van welke schrijver zou je graag eens een boek vertalen?
Ik zou graag korte verhalen van Gianni Rodari willen uitgeven en vertalen. Een paar prentenboeken zijn recent verschenen. Hij is zo’n fantasievolle Italiaanse taalkunstenaar en zijn boeken zijn tijdloos. Hij overleed in 1970 en hij wordt in Italië nog steeds volop gelezen, net als hier Annie M.G. Schmidt.

Zie je dingen veranderen in het vak?
Ja, als uitgever zie je dat boeken voor kinderen tot een jaar of 12 steeds meer illustraties bevatten. Die zijn reuzebelangrijk en een integraal onderdeel van de tekst. En de totale hoeveelheid tekst is daarmee kleiner. Terwijl voor de leeftijd boven de 12 jaar het juist allemaal zeer omvangrijke boeken zijn. En in beide gevallen leest men graag series. Het ‘bingelezen’ voor kinderen: lekker een aantal delen achter elkaar lezen.

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Ik denk niet dat de komende tien jaar kinderboeken compleet met behulp van vertaalprogramma’s vertaald zullen worden. Kinderboeken maken gebruik van zeer afwisselend taalgebruik en de jeugdtaal is er daar een van die wordt volgens mij maar beperkt bestudeerd door AI. De input van jeugdtaal is daarvoor ook een stuk kleiner dan die van taal van volwassenen. Maar op termijn zullen deze programma’s zeker de basis kunnen leveren waardoor de vertaler meer de functie van een eindredacteur zal hebben.

Hoe zou de wereld eruitzien zonder kinderboekenvertalers?
Zonder al die kinderboekenvertalers zou de jeugd over de hele wereld niet kunnen kennismaken met al die verschillende culturen en al die verschillende mooie verhalen die over de hele wereld worden gemaakt. Het vergroot hun wereld en die van de ouders.

Al jaren ben ik als expert betrokken bij de jaarlijkse beoordelingen van subsidieaanvragen van uitgevers voor een vertaalsubsidie van de Europese Commissie. Dit geldt voor kinder- en volwassen literatuur. Het lezen van die aanvragen geeft elk jaar weer een mooi inkijkje in wat in Europa vertaald en gepubliceerd wordt. Het enige doel van deze subsidies is om het onderling begrip van elkaars cultuur en het elkaar beter kennen binnen de Europese Unie te bevorderen door middel van kwalitatief hoogstaande literatuur voor volwassenen en jeugd. Hiervoor zijn goede en hoog gekwalificeerde vertalers vereist. Het is niet de bedoeling dat kinderboeken die in hun brontaal stralen en toegankelijk leesbaar zijn opeens door een onverzorgde, slechte vertaling dof en onleesbaar worden.

Wat lees je in je vrije tijd?
In mijn vrije tijd lees ik zowel kinderboeken als literatuur. Momenteel (her)lees ik alles van Albert Camus en daartussendoor zijn biografie (in het Nederlands). En allemaal zijn ze goed vertaald.

Laura Watkinson: “Kinderboekenvertaler zijn is niet alleen een vak maar ook een lifestyle”

Ik kom oorspronkelijk uit Engeland, uit een dorpje in de Cotswolds, in het midden van Engeland. Ik heb ook in Schotland, Italië en Duitsland gewoond en woon sinds 2003 in Nederland, eerst in Den Haag en sinds 2010 in Amsterdam met mijn man en twee katten, Sasha en Bear. Ik vertaal meestal vanuit het Nederlands, soms vanuit het Italiaans (ik heb zojuist twee geweldige boeken van de Italiaanse schrijver Bianca Pitzorno vertaald) en heel soms vanuit het Duits.

Dit jaar heb ik ook een fragmentvertaling van een Friestalig boek gemaakt (In nije heit van Thys Wadman) en een aantal interessante Friese boeken gelezen – ik hoop dat er in de toekomst meer vertalingen vanuit het Fries naar het Engels komen. Ik ben eigenlijk een beetje taalgek – dit jaar heb ik een cursus IJslands in IJsland gevolgd en een cursus Faeröers in de Faeröer, en ik ben van plan om ook volgend jaar naar de Westfjorden in IJsland te gaan om meer IJslands te leren. Mooie taal.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik heb talen gestudeerd aan de University van Oxford en we moesten elke week teksten uit het Engels vertalen (in de ‘verkeerde’ richting dus) en heel soms andersom, in het Engels. Dat waren dus mijn eerste vertalingen. Ik wilde toen al literair vertaler worden maar dat leek me heel moeilijk – dat is het ook. 🙂

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
The-Letter-for-the-King-Winter-EditionDe brief voor de koning, zou ik zeggen. Toen ik Nederlands aan het leren was, heb ik een aantal Nederlandse vrienden gevraagd: Welk Nederlandstalig kinderboek moet ik lezen? Het antwoord was bijna unaniem De brief voor de koning van Tonke Dragt. En ik heb het boek gelezen en was er helemaal ondersteboven van. Dat boek moest ik vertalen. Ik heb het dan ook met een paar uitgevers over het boek gehad en diverse fragmenten uit het boek vertaald – en het klikte met Pushkin Press. Toen de uitgever van Pushkin zei: Welk Nederlandstalig kinderboek moeten we laten vertalen? was het antwoord heel eenvoudig: De brief voor de koning. Er zijn inmiddels meer dan 50.000 exemplaren verkocht en Netflix maakt een televisieserie van The Letter for the King.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ha! Grappig – ik heb een lijstje met mijn vertalingen bijgehouden maar de boeken nooit geteld. Interessant om te zien hoeveel en wat voor soort boeken het zijn. Tien graphic novels tot nu toe (ik wil er heel graag nog meer vertalen), waaronder een aantal met co-vertalers, Michele Hutchison en Rhian Heppleston, ongeveer twintig boeken voor volwassenen, waaronder romans en non-fictie van Cees Nooteboom, Otto de Kat, Jan van Mersbergen en Guus Kuijer en een aantal kortere boeken zoals catalogi voor tentoonstellingen, 42 ‘coffee-table books’ (het was echt een verrassing dat er zoveel waren, maar daar ben ik als vertaler eigenlijk mee begonnen – bijschriften voor foto’s en korte essays over mooie huizen) en meer dan 80 kinder- en jeugdboeken. Heel veel van die boeken waren prentenboeken – van het vertalen van prentenboeken word ik als vertaler heel blij. Die mooie illustraties en die knappe, krappe teksten.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Leuke boeken lezen en dan herschrijven voor nieuwe lezers is altijd fijn. Ook, praktisch gezien, is het heel mooi om je werk overal mee te kunnen nemen, als je bijvoorbeeld op reis bent. Dat betekent toch dat je eigenlijk altijd een beetje aan het werk bent, dat je mailtjes beantwoordt, dat je aan het nadenken over vertaalkwesties bent, maar dat vind ik eigenlijk ook fijn. Kinderboekenvertaler zijn is niet alleen maar een vak maar ook een lifestyle. 🙂

Hoe ga je te werk?
Ik maak bijna altijd eerst een ‘quick and dirty’ vertaling. Snel dus, en met veel vraagtekens en notities over woorden en zinnen die een uitdaging vormen. Daarna maak ik een tweede, mooiere versie en nog een versie en nog een versie totdat er nog maar een paar vragen overblijven, misschien voor de auteur. Als de vertaling bijna klaar is, vraag ik mijn eerste lezer (mijn man Peter) om de tekst te lezen. En dan maak ik een (bijna) definitieve versie, die naar de redacteur gaat, en die bespreken we samen. Het is een beetje alsof je bloem aan het zeven bent en de klontjes almaar kleiner worden. Als het om een prentenboek gaat, lees ik de tekst ook altijd voor – eerst aan de arme poezen, die het allemaal niet zo interessant vinden.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Heel veel kopjes thee.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Hm, ik heb een paar… werkrituelen – ik probeer om vijftig minuten te werken en dan tien minuten pauze te hebben. Normaal gesproken begin ik de dag om 8 uur met een uurtje (vijftig minuten dus) e-mail, facturen, administratie enz. Daarna, als ik het niet te druk met vertalen heb, studeer ik een ‘uurtje’ Fries of IJslands. En dan vertaal ik nog vier of vijf uurtjes van vijftig minuten. Ik maak ook elke dag een kleine wandeling door de buurt om een frisse neus te halen. Ik vind het belangrijk om een soort routine te hebben als je freelancer bent.

Over welke vertaling ben je het meest tevreden? Aan welke vertaling heb je goede herinneringen? Welke vertaling vond je het moeilijkst?
Ik ben het meest tevreden over De brief voor de koning (The Letter for the King), omdat het boek nu ook een Engelstalige uitgever – en veel Engelstalige lezers – heeft gevonden. Dat had eigenlijk al in 1962 moeten gebeuren. Meer dan vijftig jaar later is wel laat, maar hoera! En aan die vertaling heb ik ook goede herinneringen. Alles klopte, en dat boek heeft precies de goede uitgever gevonden, de uitgever die zo’n boek verdient. Pushkin Press maakt heel mooie boeken – en de nieuwe kaften die je nu in Nederland ziet waren eerst op de Engelstalige versies te zien. Pushkin gaat volgend jaar mijn vertaling van Lampje van Annet Schaap uitgeven – en daar ben ik ook heel blij mee. Ook een geweldig boek – en het moet niet meer dan viftig jaar wachten om naar het Engels vertaald te worden. Thank you, Pushkin Press!

The-song-of-sevenVoor mezelf ben ik ook tevreden met De Zevensprong (The Song of Seven, ook door Pushkin uitgeven) omdat er veel leuke woordgrapjes en raadsels in het boek zitten – niet alles heb ik kunnen behouden (zelfs de titel was niet makkelijk) maar ik heb toch zelf een paar kleine woordgrapjes ter compensatie kunnen toevoegen, waar ik blij mee was.

Een moeilijke vertaling was Ondergedoken als Anne Frank van Marcel Prins en Peter Henk Steenhuis. Niet vanwege de taal maar vanwege het onderwerp. Dat boek is een bestseller in Amerika geworden – Hidden Like Anne Frank. Jonge Amerikaanse lezers kunnen nu ook deze verhalen van ondergedoken Joodse kinderen lezen, en dat vind ik belangrijk.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Woordgrapjes kunnen natuurlijk lastig zijn om te vertalen, maar prentenboeken en vooral rijmende prentenboeken zijn misschien het lastigst. In een prentenboek moet elk woord absoluut kloppen en als de woorden ook nog moeten rijmen, dan heb je veel tijd en verbeelding nodig om een goede tekst te schrijven. Het is vaak ook meer herschrijven in de geest van de oorspronkelijke auteur dan vertalen. Dan is het goed als je met een uitgever werkt die dat begrijpt en ook gevoel voor humor heeft. Ik vond het bijvoorbeeld Hey-who's-in-the-loosuperleuk om Hé, wie zit er op de wc? van Harmen van Straaten te vertalen, deels omdat de schrijver, Harmen, en de uitgever, David Rose, allebei heel aardige – en grappige – mensen zijn. Ik had wel best veel tijd nodig om die korte tekst te vertalen maar als je ‘loo’ met ‘poo’ in een boek mag rijmen, is dat echt genieten. Leuke baan, dat vertalen.

De boeken van Tonke Dragt die je vertaald hebt zijn meer dan 50 jaar oud. Zijn ze daardoor lastiger te vertalen?
Nee, eigenlijk niet, zeker niet De brief voor de koning en Geheimen van het Wilde Woud, omdat het verhaal zich in een wereld van ridders en kastelen afspeelt. Er zijn ook in het Engels veel kinder- en jeugdboeken die zich in de Middeleeuwen of in middeleeuwachtige settings afspelen – met die boeken ben ik opgegroeid – en ze zijn in dezelfde traditie als deze twee boeken van Tonke Dragt. De Zevensprong was misschien een beetje moeilijker omdat het moderner is, maar toch ouderwets voor de kinderen van vandaag. Er waren een paar dingen die niet meer gangbaar zijn – best veel roken, lijfstraffen, school op zaterdag – maar de lezers begrijpen toch dat het verhaal Winter-in-wartimezich niet in 2018 afspeelt. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld Oorlogswinter (Winter in Wartime, ook door Pushkin Press uitgegeven) – dan moet je soms een beetje uitleggen, maar op een heel subtiele manier.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
Toen ik deze zomer op de Faeröer was, hebben we in de les een aantal geweldige prentenboeken in het Faeröers gelezen, van een schrijver die Bárður Oskarsson heet. En ik dacht: ‘Hé, waarom zijn deze boeken nog niet naar het Engels vertaald?! Misschien zou ik… Hmmm…’ Maar Darf Publishers in Engeland heeft de rechten al gekocht en is de boeken nu aan het uitgeven. Goed nieuws voor Engelstalige lezers maar ik lijd toch een beetje aan translator envy.

Welk boek dat nog niet vertaald is, wil je graag vertalen?
Iets van Tjibbe Veldkamp. Aardige man, geweldige schrijver. Katvis is een aanrader

Waar werk je op het moment aan?
De laatste loodjes van Lampje van Annet Schaap. De tekst is nu met de redacteur. En ik ben – hoera! – nog een boek van Tonke aan het vertalen, De goudsmid en de meesterdief.

Wat lees je in je vrije tijd?
Van alles. Heel veel kinder- en jeugdboeken natuurlijk, en boeken over taal en cultuur. Boeken over Italië en IJsland vind ik bijna altijd interessant. Ik heb recent Een onbarmhartig pad van Gerwin van der Werf gelezen, dat zich in IJsland afspeelt – een mooi boek, heel spannend en heel IJslands. En nu ben ik The Travelling Cat Chronicles van Hiro Arikawa (in de vertaling van Philip Gabriel) aan het lezen – een geweldig boek voor iedereen die ooit van een kat heeft gehouden.

Try this at home, met Aimée Warmerdam

Om zelf te ervaren hoe lastig vertalen kan zijn, leggen we je op sommige dagen een opgave voor waar je zelf op mag puzzelen. Deze opgave verschijnt om 18:30 (maar dus niet alle dagen). Heb je een mooie oplossing bedacht? Zet hem dan in de reacties hieronder.

Deze opgave is van Aimée Warmerdam.

The next morning, I do not get up on the roof at dawn because I’m not leaving my bedroom until Brian’s back at boarding school three thousand miles from here. It’s only seven weeks away. I’ll drink the plant water if I get thirsty. I’m lying on bed staring at a print on the ceiling of Munch’s The Scream, an off-the-hook painting I wish I made of a guy blowing a gasket.
Like I am.
Jude and Mom are bickering on the other side of the wall. It’s getting loud. I think she hates Mom even more than she hates me now.
Mom: You’ll have plenty of time to be twenty-five when you’re twenty five, Jude.
Jude: It’s just lipstick.
Mom: Lipstick you’re not wearing, and while I’m on your bad side, that skirt is way to short.
Jude: Do you like it? I made it.
Mom: Well, you should have made more of it. Look in the mirror. Do you really want to be that girl?

Uit: Ik geef je de zon, Jandy Nelson

Aimée Warmerdam: “Er zijn verhalen die me echt lief zijn, en de personages zijn een soort vrienden geworden”

Ik woon in Amsterdam en in Rome. Ik hou van verhalen, zinnen, woorden, onbekende steden, het gekrijs van meeuwen in de winter. Het liefst zou ik de hele dag lezen, maar omdat je daar niet van kan leven ben ik lezer-redacteur-vertaler, en heel soms lukt het me om iets te schrijven.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik ben rond 2002 begonnen. Mijn eerste vertaling was een vreemd boekje over heksenrituelen. Daarna vertaalde ik een verhalenbundel van Terry Jones: De Zeetijger en andere verhalen. Dat vond ik zo leuk, en ik vond het heerlijk om te zoeken naar de juiste toon, een woord. Dat vind ik nog altijd het fijnst aan vertalen: die zoektocht.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Ik-geef-je-de-zonIk denk dat Ik geef je de zon het bekendst is: het is een prachtig, poëtisch verhaal over familie, vriendschap, verlies en de kracht van kunst. Ik lees mijn eigen vertalingen bijna nooit niet terug, maar Ik geef je de zon pak ik af en toe uit de kast. Op dat verhaal ben ik nog steeds een beetje verliefd.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ik heb meer dan vijftig boeken vertaald. Best veel, nu ik erbij stilsta…

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Bij een goed boek kan het gebeuren dat de woorden zich ‘opdringen’: dan dienen ze zich vanzelf aan. Hoe dat precies gaat in je hoofd weet ik niet, dat vind ik nog altijd fascinerend. Bij Ik geef je de zon zat ik soms zo in het verhaal dat mijn vingers mijn gedachten bijna niet bij konden houden. Dat is heerlijk.

Het minst fijne vind ik de deadlines en de slechte betaling. Het is niet leuk om het daarover te hebben maar ik doe het toch… Vertalers zijn mensen met passie voor hun vak en liefde voor verhalen, maar het is moeilijk om alleen van het vertalen rond te komen. Als een uitgever dan ook nog te laat betaalt en je moet gaan bellen of ze alsjeblieft… omdat anders… Dat vind ik verschrikkelijk.

Hoe ga je te werk?
Ik doe van alles om me het verhaal eigen te maken. Als er bijvoorbeeld muziek in het verhaal voorkomt dan luister ik daarnaar, ik kijk naar de films die in het boek worden genoemd, ik zoek op hoe de plaats eruitziet waar het zich afspeelt. Eigenlijk doe ik alles Kallewat kan helpen om me in een personage te verplaatsen of wat kan helpen om in de buurt van de auteur te komen. Soms leidt dat tot vreemde dingen. Een tijdje geleden vertaalde ik Kalle, een boek van Tom Moorhouse over een rattenkolonie. Moorhouse is bioloog en het gedrag en de bewegingen van de ratten worden ontzettend goed beschreven. Onder het vertalen betrapte ik me erop dat ik soms mijn neus in de lucht stak en een beetje zat te snuiven, zoals de ratten in het verhaal vaak doen.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Allerlei soorten woordenboeken, websites, YouTube, films, andere boeken en: mijn oren. Ik zit vaak te luisteren: in de trein bijvoorbeeld. Als ik jongeren hoor praten, schrijf ik dingen op die ik grappig of bijzonder vind. Ik bel ook vaak met mijn neefjes om te vragen wat ze van een woord vinden of welk woord zij zouden gebruiken.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Als ik net aan een vertaling ben begonnen maak ik normale werkdagen, waarbij ik heel vaak opsta, wegloop, nadenk, voor me uit staar, de kat aai en twijfel. Naarmate de deadline nadert, werk ik steeds geconcentreerder en sluit ik me voor alles en iedereen af. Dan maak ik lange dagen en werk ik ook vaak ’s avonds door. Dat is eigenlijk niet zo gezond, maar het is ook wel lekker om je alleen maar met die tekst bezig te houden.

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Er-was-eens-een-kasteelGrappig. Nu ik voor dit interview terugdenk aan bepaalde boeken merk ik dat er verhalen zijn waar ik echt van ben gaan houden: Er was eens een kasteel van Piers Torday is zo’n boek. En Aristoteles en Dante ontdekken het universum, van Benjamin Alire Sáenz. En Cathy’s boek, van Stewart, Weisman & Brigg. Dat verscheen ruim tien jaar geleden, maar ik zou je nog precies kunnen vertellen hoe de personages eruitzien en welke scènes ik mooi vond. Het geldt natuurlijk niet voor alle boeken, maar er zijn verhalen die me echt lief zijn, en de personages zijn een soort vrienden geworden, van wie je dan al een tijdje niks meer hebt gehoord.

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
Eindelijk raakt Noah het water. Zonder te plonzen, alsof hij tijdens zijn val geen vaart heeft gemaakt, alsof een lieve reus hem zachtjes op het water heeft geplaatst. En dan gaat hij onder. Kom boven, zeg ik tegen hem, maar onze tweeling-telepathie werkt allang niet meer. Toen mama stierf trok hij zich aan me op. En nu, door alles wat er is gebeurd, gaan we elkaar uit de weg – erger nog: we verstoten elkaar.

(Uit: Ik geef je de zon, Jandy Nelson)

Wat was je grootste vertaalblunder?
De grootste blunder die ik heb gemaakt was toen er van een van mijn vertalingen een voorpublicatie voor de pers zou verschijnen; dat had ik nog niet eerder meegemaakt, en de vertaling was eigenlijk nog niet helemaal af. Ik had zelf geen tijd meer om hem te redigeren en ik wist niet dat er bij de uitgeverij niemand meer naar zou kijken, en dus is de ‘ruwe’ versie gedrukt en naar de pers verstuurd. Ai, dat heb ik geweten. De druk van uitgeverijen om alles zo snel mogelijk te laten verschijnen is behoorlijk groot. Ik heb moeten leren om mezelf (en mijn werk) beter te beschermen. Dat is ook de reden dat ik de laatste tijd minder vertaal. Als je van deadline naar deadline moet sjezen gaat de magie van het vertalen verloren, en dat is nou juist wat vertalen zo bijzonder maakt. Het is geen productiewerk, en als het wel zo gaat voelen kun je beter iets anders gaan doen.

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, daar maak ik me helemaal geen zorgen over. Ik vind het wel spannend om te zien wat er zal gebeuren. Ik denk dat in de toekomst een deel van de boeken vertaald kan worden door slimme computers. Dat lijkt me prima. Voor andere boeken zullen altijd vertalers nodig zijn.

Waar werk je op het moment aan?
Ik ben net begonnen met een nieuw boek van Angie Thomas, de auteur van The hate U Give. Het gaat over een meisje dat rapper wil worden. Ik ben nu dus allerlei films over de zwarte gemeenschap in Mississippi aan het kijken en documentaires over rappen.

Wat lees je in je vrije tijd?
Als ik met een vertaling bezig ben, lees ik veel korte verhalen omdat ik dan in mijn hoofd niet altijd genoeg ruimte heb voor een heel boek: Claire Vaye Watkins, Murakami, Valleria Luiselli, Lucia Berlin. Maar als ik meer tijd heb, graag dikke pillen, zoals nu: Max, Mischa en het Ted-offensief, van Johan Harstad. Zo mooi!