Hallo allemaal. Ik ben Ans van der Graaff, getrouwd, moeder van twee dochters en oma van een kleinzoon van 4 en een kleindochter van 1. Ik heb altijd heel veel gelezen, hield van spelen met taal en was goed in talen. Toch ben ik bij toeval in het vak gerold. Ik zat op de drukkerij-afdeling van een bedrijf dat ook een vertaalafdeling had. Een collega ging over naar de vertaalafdeling en toen riep ik: ‘Dat kan ik ook.’ Dus vond de baas van de vertaalafdeling dat ik dat maar moest laten zien en liet hij me een proefvertaling maken. Een aantal bladzijden uit het boek Things fall apart van Chinua Achebe. Een paar dagen later zat ik dus op de vertaalafdeling. Ik ben begin 1986 i.p.v. hele dagen halve dagen buitenshuis gaan werken en sinds begin 1988 werk ik fulltime voor mezelf.
Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik ben in 1978 op de vertaalafdeling begonnen, aanvankelijk als spitvertaler (ik deed het voorwerk voor de eindvertaler), maar al vrij snel als eindvertaler. Aanvankelijk uit het Engels, Duits en Frans, maar dat laatste doe ik te weinig en zou me nu veel te veel tijd kosten, dus dat is niet rendabel.
Mijn eerste vertaling in loondienst weet ik niet eens meer. In 1981 ben ik naast die baan al voorzichtig gaan freelancen. Het eerste boek waar mijn eigen naam in stond, kwam in 1982 uit: De zilveren jasmijn van J.L. Roberts.
Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Misschien niet zozeer als boek, maar vooral als film: Dances with Wolves, vertaald als De dans van de wolf.
Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ik ben aan mijn 200e bezig.
Hoe ga je te werk?
Ik lees eerst het hele boek, altijd. Vooral bij fictie wil ik de karakters leren kennen voordat ik ze woorden in de mond leg die later misschien niet bij hen blijken te passen. Daarna begin ik, in het begin meestal langzaam, want ik heb altijd wat tijd nodig om erin te komen, maar later gaat het steeds sneller. Ik maak wel grofweg een planning van wat ik per dag of per week zou moeten doen. In het begin haal ik dat dan vaak niet, maar dat compenseer ik in een later stadium.
Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
De geijkte: de grote woordenboeken van Van Dale, ook de Dikke, de Schrijfwijzer, Combinatiewoordenboek, Voorzetselboek, enz. Voor medische vertalingen de Pinkhof en Coëlho, maar dat doe ik de laatste jaren niet zo veel.
Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Ik ben meestal erg vroeg wakker. Als ik op dat moment veel te doen heb of overdag druk ben met iets anders, begin ik ook gewoon te werken. Soms al om vijf uur. Halverwege de ochtend en de tweede helft van de middag (dan heb ik het echt even gehad) ga ik even naar buiten of boodschappen doen. Zo nodig werk ik ’s avonds nog een paar uur door. Naarmate de deadline dichterbij komt, maak ik vaak langere dagen.
Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Het gebeurt me wel eens dat ik vreselijk zit te worstelen met een zin of alinea. Als de lezer daar later dan niets van merkt en gewoon lekker door kan lezen, heb ik mijn werk goed gedaan. Ik kreeg in een recensie ook wel eens het compliment dat je niet kon merken dat het Nederlands niet de oorspronkelijke taal van het boek was. Een mooier compliment kun je bijna niet krijgen.
Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
Ik ben meestal wel (achteraf, wanneer het bestand terugkomt van de persklaarmaker of redactie, want in mijn eigen correctiefase zie ik het soms niet meer zo) tevreden over mijn vertalingen.
Wat ik heel mooi vind geworden is Donkerblauwe woorden, een YA.
Over welke ben je het minst tevreden?
Soms doe ik een vertaling samen met iemand anders en vaak gaat dat goed, als je goed op een lijn zit en goed kunt overleggen en elkaars werk controleren. Eén keer had een co-vertaling zo veel haast dat de andere vertaler en ik niet eens tijd hadden om elkaars teksten na te kijken. Hij had ook nog eens een heel andere stijl dan ik. Dus met dat boek ben ik minder blij, maar ik ga de titel hier niet noemen.
Welke vertaling vond je het moeilijkst?
Het meeste moeite kost een slecht geschreven boek. Het ergste wat dat betreft was De witte herdershond, een ‘draak van een boek, maar iemand moest het doen,’ zei de uitgever achteraf tegen me. Daar had ik dus ook een poosje slechte herinneringen aan.
Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
Dat zijn er inmiddels best veel, maar – sorry folks – ik zit met een deadline. Van mij dus ook geen ‘Try this at home’.
Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Lange beschrijvingen zijn minder leuk, maar echt lastig… tja, een slecht geschreven boek, dus. En gedichten kunnen lastig zijn.
Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Je past het taalgebruik aan de leeftijd of het niveau van de lezer aan. Al vind ik niet dat je het kinderen of jongeren te gemakkelijk hoeft te maken. Geen betere gelegenheid om nieuwe woorden te leren dan een leuk boek, toch?
Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Mijn eerste freelance-opdracht haalde ik binnen toen ik samen met de baas van de vertaalafdeling een boek dat ik in loondienst had vertaald ging wegbrengen naar de uitgever. Hij stelde me toen aan die uitgever voor en ik kreeg meteen een opdracht mee naar huis. Computers waren toen net in opmars en nog niet iedereen op de afdeling werkte ermee, dus de uitgetikte of geprinte vertaling moest worden opgestuurd, of zoals in dat geval gebracht.
Toen ik later meer voor mezelf en minder voor de baas wilde gaan doen, stuurde ik vijf open sollicitatiebrieven, waarvan er eentje een opdracht opleverde. Daarna heb ik eigenlijk niet veel meer aan acquisitie gedaan. De uitgeverswereld is een kleine wereld. Ik rolde diverse keren van de ene uitgeverij door naar de andere, soms omdat redacteurs elkaar vroegen of ze iemand wisten voor een bepaald boek, soms ook doordat een redacteur naar een andere uitgeverij ging en me ‘meenam’. En soms vraagt een uitgeverij waar ik nog niet eerder voor heb gewerkt mij voor een boek. Dat is best luxe, eigenlijk.
Zie je dingen veranderen in het vak?
Helemaal in het begin werkte ik dus ook nog op een typemachine. Ik heb mezelf toen aangeleerd om de eerste versie meteen zo volmaakt mogelijk te vertalen, want als er te veel veranderde in een zin, moest die hele bladzijde of zelfs de rest van het hoofdstuk opnieuw worden getikt. Nu laat ik soms nog even woorden onvertaald of zet ik ze onderstreept als ik op dat moment niet het juiste woord vind en vul ik dat later in. Een vriendin die tien jaar later begon dan ik, en dus vanaf het begin met computers kon werken, werkte heel anders. Ze maakte een heel ruwe vertaling, en maakte daar later een mooi geheel van.
Ook zat ik de eerste jaren vaak halve dagen in de bibliotheek. Dan kwam ik weer thuis en had ik nog niet (alles) kunnen vinden wat ik zocht. Heel frustrerend. Dat is nu met het internet natuurlijk veel eenvoudiger.
Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Heel kort: nee.
Hoe zou de wereld eruitzien zonder kinderboekenvertalers?
Heel saai. Dat zou voor kinderen en voorlezende ouders/grootouders een groot gemis zijn.
Waar werk je op het moment aan?
Ik ben een thriller aan het afronden, samen met een collega. Hierna ga ik aan de slag met een ‘Field guide’ uit de serie Warrior Cats. Daarna wisselen volwassenen- en kinderboeken elkaar af.
Wat lees je in je vrije tijd?
Ik lees echt allerlei genres, maar dat varieert een beetje met periodes. De laatste tijd vrij veel YA, en uiteraard voorleesboeken met de kleinkinderen.




eigen ‘doorbraak’ kwam met de vertaling van Mikael Engströms Tobbe (2004), een waanzinnig mooi tragikomisch jeugdboek, bij uitgeverij Van Goor, destijds onder de bezielende redactie van Harminke Medendorp (later Marieke Woortman en Susanne Diependaal). Voor die uitgever heb ik sindsdien diverse mooie kinder- en jeugdboeken vertaald, o.a. nog twee Engström-pareltjes, en het novellen-elftal De vriend van de vriendin van de moeder van Maja van de Zweedse Katarina Kieri (2009). En recent: Paard, paard, tijger, tijger – het debuut van de Deense Mette Eike Neerlin.
Hannu van Geir Gulliksen, 2006, en een enkele Zweedse: Kaneel en Konijn (Kanel och Kanin) van Ulf Stark en Charlotte Ramel, een prentenboek op rijm (daar doet elk woord ertoe!). En een topvangst: de boeken van Maria Parr (ook wel de Noorse Astrid Lindgren genoemd). De Olle & Lena-boeken (2007 en 2018) en Tonje Glimmerdal – Tonje en de geheime brief (2010). Even fantastisch als ongelooflijk uitdagend om te doen, gezien Parrs heel eigen taal: een mix van Nynorsk en Parriaans. De boeken van Mikael Engström en Maria Parr hebben hier volgens mij de meest persaandacht gekregen.
Ragnarok, oudnoordse mythologie, zoals in Parrs laatste boek), het spelen met taal, vooral waar het eigen (woord)vondsten van de auteur betreft. Plus de uitdaging om sfeer, stijl taal, inhoud van het origineel hier opnieuw tot een soepel geheel te kneden. Dat is bij pittige boeken (zoals van Parr) echt monnikenwerk, waar je absoluut voor moet (willen) gaan.
Een ander hart- en zielboekje was de Noorse Hannu, Hannu van Geir Gulliksen, een juweeltje. En ook Maria Parrs Olle en Lena zijn echte vriendjes geworden die me dierbaar zijn.
Een boek dat graag door mij vertaald wil worden is de Zweedse Comedy Queen van Jenny Jägerfeld. Alweer een pareltje… over Sasha van 12-13 die haar depressieve moeder verliest aan zelfdoding en er vervolgens ALLES aan doet om vooral NIET op haar moeder te gaan lijken en Comedy Queen wil worden om haar vader weer aan het lachen te maken. CQ is mij afgelopen april al toegespeeld door een Zweeds agentschap om hier aan de uitgeversman of -vrouw te brengen, en heb ik in de vorm van een uitgebreid boekverslag warm aanbevolen aan de ene na de andere uitgever: zeven maanden lang heeft het langs zeven uitgevers gezworven…
Er worden heeelaas minder pareltjes aangedurfd, Comedy Queen is één voorbeeld, en mijn eervorige boek, Hest hest, tiger tiger – Paard, paard, tijger, tijger vroeg ook om lang-wachten-op-de-knoop-doorhak-geduld. Verrassend genoeg heeft het wel een Gouden Lijst in de wacht gesleept (al tellen prijzen van vakjury’s minder dan die van de Kinderjury of Jonge Jury).
In 2012 vertaalde ik mijn eerste boek: 15 dagen zonder hoofd van Dave Cousins. Het duurde heel lang voor het boek werd uitgebracht, en nadat ik die vertaling had ingeleverd ben ik een paar jaar niet verder gegaan met vertalen. Maar toen het eenmaal was uitgegeven werd het genomineerd voor de Gouden Lijst! Dat was echt super; ik had slechts één boek vertaald, en er werd gelijk al zo veel aandacht aan besteed. Het boek won nét niet, maar ik heb er wel een eervolle vermelding voor mijn allereerste vertaling van het CPNB aan overgehouden!
Ik denk dat dat momenteel The Glittering Court van Richelle Mead is… Maar als ik kijk naar uitleencijfers van de Lira, dan wordt mijn vertaling van De Tepper-tweeling maakt New York onveilig van Geoff Rodkey het meest uitgeleend in de bibliotheken.
Ik ben tevreden over al mijn vertalingen, misschien op twee na. Maar als ik moet kiezen… denk ik toch de vertalingen van Richelle Meads boeken. Sowieso wilde ik, voor ik vertaler werd, juist háár boeken vertalen. Om te oefenen heb ik altijd haar romans gebruikt, en toen ik plotseling de opdracht kreeg voor The Glittering Court voelde ik me zeer vereerd. Ik ben er in elk geval het meest trots op.
It’s Kind of a Funny Story van Ned Vizzini. Ik heb het weleens aangedragen bij redacteurs, maar ze vinden het te oud (het is een boek uit 2006). Erg jammer, want het is een van de betere YA boeken die ik in de afgelopen vijf jaar heb gelezen.

Mijn eerste boekvertaling dateert pas uit 2013 – ik kom dus net kijken! Ik had in een mail aan een redacteur bij Gottmer over een correctieklus laten vallen dat ik een vertaalopleiding had en een tijdje later werd ik benaderd voor mijn eerste boekvertaling: Geek Girl blundert door. Ik was zelf al vergeten dat ik het had gezegd… ik ben er dus echt ingerold.
Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Bij Wat als dit het is heb ik langer moeten zoeken voor ik het idee had dat ik de stijl goed te pakken had. Ik denk dat dat vooral kwam doordat het minder uitbundig geschreven was dan veel andere boeken die ik heb vertaald. Toen ik besefte dat dat subtiele juist de kracht en de uitdaging was, had ik het te pakken. Denk ik.
De eigenzinnigheden van Leah Burke herkende ik veel in de hoofdpersoon, Zij en ik was zo rijk in taal en stijl en thema’s, Dit is allemaal waar vond ik spannend en het had een bijzondere opbouw…
Dan roep ik meteen Two Boys Kissing van David Levithan. Dat is een literaire YA over twee jongens, ex-geliefden, die een recordpoging zoenen doen voor het Guinness Book of Records. Daaromheen worden de verhalen verteld van andere homoseksuele jongens uit hun wijde omgeving en het geheel wordt van commentaar voorzien door de geesten van homoseksuele mannen die aan aids zijn gestorven – als het ware een koor in een toneelstuk uit de Oudheid. Ik was er erg van onder de indruk en ik hoop ooit een uitgever te vinden voor wie ik het kan vertalen… 
The first thing you find out when yer dog learns to talk is that dogs don’t got nothing much to say. About anything.
kinderboeken te vertalen. Dat waren Dagboek van een prinses, van Meg Cabot, en het heerlijke De zeer volhardende Gappers van Frip, van George Saunders. Dagboek van een prinses vertaalde ik toen mijn jongste dochter puber was, en voor het juiste register hoefde ik alleen maar naar de gesprekken tussen haar en haar vriendinnen te luisteren. De Gappers van Frip werd in 2003 met een Zilveren Griffel bekroond. Stiekem vatte ik de onderscheiding op als een stempel van goedkeuring voor mijn werk.
?
Voor het boek Hoe tem je een draak van Cressida Cowell (Vassallucci, 2004) mocht ik helemaal losgaan op de heerlijk bizarre namen die de schrijfster voor haar personages had verzonnen. Een feest! Een fragment: