Ik heb Engelse Taal- en Letterkunde gestudeerd in Groningen en ben na wat omzwervingen vrij toevallig het vak van vertaler ingerold. Dat was in 1993, alweer 25 jaar geleden. Ik kon wat correctiewerk van iemand overnemen voor het vertaalbureau van de ECI, en de redacteur, de onvolprezen Gerrit Jan van den Berg, gaf me al vrij snel mijn eerste vertaalopdracht. In het begin vertaalde ik voor hem vrij middelmatige romans en thrillers, maar ook veel non-fictie, zoals Godsdiensten van de wereld en De klassieke componisten. Ik heb daar erg veel van geleerd.
Ik vertaalde intussen ook voor het toen nog in Groningen gevestigde TextCase, dat destijds nog redelijke tarieven betaalde en onder de bezielende leiding stond van Gerda Leegsma. Voor dat bureau vertaalde ik voornamelijk kookboeken, tuinboeken en allerlei andere non-fictie.
Langzamerhand kon ik rechtstreeks voor uitgeverijen gaan werken en kreeg ik betere boeken aangeboden. Nu vertaal ik vrijwel alleen literair werk voor volwassenen en kinderen, en soms non-fictie. Ik werk voor veel grote Nederlandse uitgeverijen; inmiddels heb ik al ruim 200 boeken vertaald.
Daar zitten ook hele dunne kookboekjes uit mijn beginperiode bij en titels die ik samen met een collega heb gedaan. Margaret Atwood en Dave Eggers zijn denk ik ‘mijn’ bekendste auteurs van boeken voor volwassenen; van de kinder- en jeugdliteratuur zijn dat Ali Benjamin en Frank Cottrell Boyce.
Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn?
Ik ben verslaafd aan mijn werk, al vanaf het allereerste begin. Ik vind het fantastisch om door de auteur bij de hand te worden genomen, samen door het boek te wandelen, en het in mijn moedertaal te mogen herschrijven. Ik vind het heerlijk om net zo lang met de taal te goochelen tot alles op z’n plaats valt. Het is heel creatief werk, maar het verhaal is er al, dus je hebt nooit last van writer’s block. Ik kan me bijna geen fijnere manier voorstellen om mijn brood te verdienen. Het is ook bijzonder prettig om zzp’er te zijn, omdat je kunt werken waar en wanneer je maar wilt, mits je opdrachten krijgt natuurlijk.
Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Na het ontbijt, als iedereen de deur uit is, ga ik naar mijn werkkamer en begin ik met doorlezen en bijschaven wat ik de vorige dag heb gedaan. Daarna begin ik aan mijn portie voor die dag. Ik werk bijna altijd met veel plezier en meestal vliegen de dagen om. Ik werk gemiddeld acht uur per dag, soms langer. Als het mooi weer is en ik bijvoorbeeld de hele middag buiten ben geweest, werk ik ’s avonds door. Ik probeer de weekenden vrij te houden, maar dat lukt vaak niet. Ik doe ongeveer drie maanden over een boek van gemiddelde lengte en moeilijkheidsgraad.
Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
De mooiste herinneringen bewaar ik aan de Het jaar van de vloed van Margaret Atwood, het eerste boek dat ik van haar vertaalde. Dat is een speculatieve toekomstroman, het tweede deel van een trilogie, vol serieuze onderwerpen maar ook met veel humor. Toen ik het vertaalde mocht ik op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds drie weken in Canada werken op een geweldige culturele campus in Banff, waar toen ook een grote groep vertalers uit de hele wereld verbleef. Op de terugweg naar Nederland heb ik Margaret Atwood in Toronto ontmoet, dat was erg leuk.
Het kinderboek waar ik de mooiste herinneringen aan heb is M.U.I.S. van Penny Dolan, een spannende Dickensiaanse avonturenroman over een Engelse weesjongen in de negentiende eeuw. Zo’n fijn dik boek waar kinderen stiekem ’s avonds onder de dekens met een zaklantaarn in verder lezen. Ik heb me vooral erg vermaakt met het vertalen van de namen in dat boek, daar heb ik toen een stukje over geschreven voor het weblog van de Boekvertalers. Personages als Bulloughby, Wayland, Shankbone, Smudge, sergeant Trudgewell, en Niddle and Pyeberry heten bij mij Buldersma, Doolaard, Schenkelbeen, DeSmet, brigadier Sloffermans, en Kanis en Pykebol. Erg leuke puzzels zijn dat.
Een andere lievelingsvertaling is Suzy en de kwallen van Ali Benjamin, een heel origineel en ontroerend boek over een bijzonder meisje dat iets naars heeft meegemaakt en daar op een ongelofelijke manier mee leert leven. Het won in 2017 de Gouden Lijst voor vertaalde jeugdliteratuur. Beide boeken vertaalde ik voor uitgeverij Van Goor.
Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Niet veel, het is in elk geval niet makkelijker, zoals mensen weleens denken. Je moet net als bij boeken voor volwassenen de juiste toon weten te treffen en dat kan bij kinderboeken en boeken voor jongvolwassenen verrekt lastig zijn. Er zijn wel een paar dingen waar je rekening mee moet houden. In kinder- en jeugdboeken moet je soms meer dingen aanpassen aan de Nederlandse situatie omdat kinderen bepaalde dingen anders niet snappen. En zoals je in dat stukje op de site die ik net noemde kunt lezen, moet je namen die iets betekenen of die grappig zijn ook vertalen, dat hoeft in boeken voor volwassenen niet altijd.
Welk boek dat door iemand anders is vertaald had je zelf graag willen vertalen?
Harry Potter!!! Omdat het fantastische boeken zijn, geweldig om te vertalen. En ook omdat bijna iedereen ze kent.
Heb je veel dingen zien veranderen in het vak?
Toen ik met vertalen begon, kende ik vrijwel geen enkele andere vertaler. Totdat ik in 2004 voor het eerst op een uitgeversborrel kwam en kennismaakte met collega Ineke Lenting, die me op het bestaan van de Boekvertalerslijst wees. Dat is een besloten groep van boekvertalers die dagelijks online contact hebben. We bespreken daar allerlei dingen die met het vak te maken hebben, maar we organiseren ook borrels en uitstapjes, naar een drukkerij bijvoorbeeld, en naar het Centraal Boekhuis. Het is een virtuele vraagbaak annex koffieautomaat. Ik heb er veel fijne collega’s leren kennen. We hebben ook een tijdje een weblog gehad, maar daar gebeurt de laatste tijd niet veel meer, waarschijnlijk omdat iedereen het te druk heeft.
Ik ben ook lid van de sectie Literair Vertalers van de Auteursbond, dat is de beroeps- en belangenvereniging van schrijvers en vertalers in Nederland. Zij zetten zich in voor allerlei zakelijke aspecten rond het beroep van literair vertaler. Het is geweldig wat zij al hebben bereikt op het gebied van honorering en rechten. De vertalers die bij de Auteursbond zijn aangesloten werken (als het goed is) volgens het modelcontract dat in overleg met de Literaire Uitgeversgroep is opgesteld en waarin een minimumtarief, royalty’s, en allerlei rechten zijn vastgelegd.
De bond heeft ook voor elkaar gekregen dat literair vertalers projectsubsidies en reisbeurzen kunnen aanvragen bij het Nederlands Letterenfonds. Dat is erg belangrijk omdat het bestaanszekerheid geeft. Vertalen is echt een vak, niet iets wat je er als hobby wel even bij kunt doen omdat het je wel lollig lijkt.
Is er in al die jaren nog meer veranderd?
Toen ik in 1993 met vertalen begon, waren er natuurlijk al wel computers, maar had nog bijna niemand internet. Tegenwoordig kun je alles opzoeken, de obscuurste woorden of voorwerpen tover je op internet zomaar tevoorschijn en je kunt met Google Streetview precies zien hoe een bepaald gebouw of landschap eruitziet.
Als ik vroeger iets niet kon vinden in een encyclopedie of in specialistische boeken, moest ik op pad of belde ik mensen op. Dat leverde vaak leuke gesprekken op met allerlei mensen, van dokters en koks tot en met timmerlieden en politieagenten, zelfs een keer met een onderzeebootkapitein in Den Helder.
Waar werk je op dit moment aan?
Een poosje geleden heb ik The Christmasaurus van Tom Fletcher vertaald voor de nieuwe kinderboekenuitgeverij Billy Bones. Een fantastisch kerstboek over een jongen die een dinosaurus als kerstcadeau vraagt en dan allerlei spannende avonturen beleeft. Nu vertaal ik het tweede boek van Tom Fletcher, The Creakers, een gezellig griezelverhaal over enge monsters onder je bed. In The Christmasaurus zaten veel versjes, het is altijd een hele uitdaging om die te vertalen. In The Creakers zit maar één versje (zie: Try this at home). Verder werk ik aan de vertaling van een roman en een verhalenbundel voor volwassenen. Vanaf maart 2019 ga ik de nieuwe roman van Margaret Atwood vertalen, die zij op 28 november gaat aankondigen en die in september 2019 zal verschijnen.



Voor de Maand van de Kinderboekenvertaler begon, ben ik voor mijn kinderboekenkast gaan staan. Van welke vertaler die meedoet aan deze Maand, zou ik de meeste boeken hebben? Dat bleek Aleid van Eekelen-Benders te zijn, met vier Lemiscaat-titels, waarvan twee gesigneerd (Het Grote Misschien, van John Green; Deadline, van Rachel Ward; Marcelo en de echte wereld, van Francisco X. Stork; en Will Grayson, will grayson, van John Green en David Levithan).
I’m Brontë’d out. I’m over Heathcliff.
In 1996 verscheen mijn eerste boekvertaling, Een slapeloze nacht, een doktersroman van uitgeverij Harlequin. Ik had ooit een paar Bouquetreeksjes gelezen, die ik nogal stroef vertaald vond, en toen al was door mijn hoofd gegaan hoe leuk het moest zijn om zulke boeken te vertalen en te proberen er prettig, soepel Nederlands van te maken, dus het was wel een passend debuut.
van het boek te pakken te krijgen. Het geheim van het Nachtegaalbos van Lucy Strange bijvoorbeeld, speelt in het Engeland van 1919, zodat ik even moest zoeken naar het juiste taalgebruik: een tikje ouderwets maar wel zo dat het lezers van nu aanspreekt. Lastige zaken kruipen in een hoekje in mijn hoofd, waar ze tijdens het verdere vertalen blijven doorsudderen.
Eén voorbeeldje, uit Will Grayson, will grayson. Toen ik dat voor het eerst las bekroop me echt de gedachte: maar dat kán ik helemaal niet! Tot op de laatste bladzijde moest er gepuzzeld worden: in het dankwoord (in het Engels ‘Acknowledgments’) begon elke regel met ‘We acknowledge’ en dat woord werd niet alleen gebruikt om lof en dank uit te delen:
Niet van een fragment, omdat tevredenheid óf het hele boek betreft, óf een losse vondst van een of enkele woorden. Zoals ‘de Overhemden’ in De wereld achter het hek, van Zana Fraillon. Dat verhaal speelt in een vluchtelingenkamp in Australië, waar de bewakers ‘the Jackets’ worden genoemd, naar hun uniformjasje, een pars pro totum dus, maar alle voor de hand liggende vertalingen (jack, jasje, colbert) gaven niet het juiste beeld en het hele woord, ‘de Uniformjasjes’ was veel te lang. Ter inspiratie zocht ik op een gegeven moment maar eens op internet naar foto’s van zulke kampen, en wat me opviel: de bewakers droegen, als onderdeel van hun uniform, allemaal een overhemd. Alle andere mannen en jongens droegen een T-shirt. Bij ‘de Overhemden’ weet je even duidelijk als bij ‘the Jackets’ dat het om de bewakers gaat.
Ik denk dat dat de young adult-serie De Kronieken van de Onderwereld is (in het Engels The Mortal Instruments). Deel 1, Stad van Beenderen is ook verfilmd en er is een Netflix-serie van gemaakt. Ik heb vijf van de zes delen vertaald.
vertaler
Een andere kinderboekenvertaling waar ik heel trots op ben is Dromenjagers van Thomas Taylor, geschreven voor een iets jongere doelgroep dan de meeste young adults. Dit spannende verhaal over jongens die kunnen tijdreizen had alles in zich om een soort nieuwe Harry Potter te worden, maar heeft het geloof ik niet zo goed gedaan. Soms gebeurt dat, dan verdwijnt een boek al snel naar de achtergrond. Zonde! Ik zag helemaal voor me dat het een succesvolle serie zou worden, maar in het Engels is het ook bij één deel gebleven.
Het eerste boek dat ik vertaalde was Jongens, beren en bergschoenen van Abby McDonald, een heerlijke YA-roman over de stadse Jenna die een zomer in de wildernis van Canada doorbrengt. Het was misschien wel een van de leukste vertalingen om te doen, omdat alles nog nieuw was.
Overigens komen pratende dieren niet alleen in kinderboeken voor. Ik heb ook managementboeken over muizen (Ik heb jouw kaas gepikt) en stokstaartjes (Zo doen we dat hier niet!) vertaald.
Mijn eerste vertaling was De jongen in de koffer van Lene Kaaberbøl en Agnete Friis, het eerste boek in de trilogie over verpleegkundige Nina Borg. Ik heb de vertaling samen met mijn collega Kor de Vries gemaakt. Eigenlijk had hij de opdracht gekregen, maar omdat hij geen tijd had om de vertaling alleen te doen, heeft hij mij erbij betrokken. Kor heeft mij de kneepjes van het vak geleerd en me geweldig begeleid en de andere twee delen van de trilogie heb ik alleen vertaald.
Ik vermoed dat 1793 van Niklas Natt och Dag mijn bekendste vertaling is, al was het alleen maar omdat er vier drukken van zijn verschenen.
Het meest tevreden ben ik over mijn vertalingen van de drie Antboy-boeken van Kenneth Bøgh Andersen. Bij kinderboeken heb je toch iets meer vrijheid bij het vertalen en Kenneth kan gewoon geweldig schrijven. Aan die vertalingen heb ik ook de beste herinneringen.

Even daarna werd ik getipt over uitgeverij Moon, die ik het manuscript niet had gegeven. Ik besloot hen een exemplaar te sturen en hoewel zij het manuscript ook afwezen – nu om een inhoudelijke reden: Chris Riddells boeken werden al eerder zonder commercieel succes in Nederland uitgegeven – was men over de vertaling zelf wél te spreken en ik kreeg in 2016 de opdracht Chris Gallaghans The Great Chocoplot voor hen te vertalen.
verscheen dit voorjaar en het tweede deel, Supernormaal en de superschurken, is 25 oktober jl. uitgekomen. Het vertaalwerk moet nu nog tussendoor, want ik heb nog een volledige baan op mijn school. Aan het einde van dit kalenderjaar ga ik echter met pensioen, dus dan heb ik tijd te over.