Lies Lavrijsen: “Vertalers van kinderboeken slaan op hun bescheiden manier bruggetjes tussen twee verschillende culturen”

Hoi, ik ben Lies Lavrijsen. Ik ben 40 jaar en woon met mijn man en kinderen in Antwerpen. Ik vertaal meestal uit het Engels, soms uit het Frans, af en toe uit het Italiaans en echt héél af en toe uit het Spaans. Naast het boekvertalen ondertitel ik ook wel eens films, maak ik boventitels voor theaterstukken of schrijf ik recensies voor de website Mappalibri. In mijn vrije tijd probeer ik mijn zittende professionele bestaan een klein beetje te compenseren door aan hardlopen en hedendaagse dans te doen.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
In 2004 volgde ik een korte cursus literair vertalen aan de universiteit van Leuven. In de nasleep daarvan kreeg ik van het Vlaams Fonds voor de Letteren de kans om mijn eerste Het-verhaal-van-Tracy-Beakerboekvertaling te maken, onder begeleiding van een mentor. Het boek in kwestie was Het verhaal van Tracy Beaker van de Britse schrijfster Jacqueline Wilson, een heel grappig boek over een pittig meisje dat in een kindertehuis woont. Ik vind het nog altijd een van de leukste boeken die ik ooit vertaald heb.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Dat eerste boek, Het verhaal van Tracy Beaker, was toen het uitkwam best bekend omdat er in die tijd een tv-serie over Tracy Beaker werd uitgezonden. Een paar jaar daarna vertaalde ik de tweedelige reeks Dagboek van een klotejaar van Saci Lloyd, een heel geëngageerde klimaatdystopie die ook vrij goed ontvangen werd. Die boeken speelden zich af in wat toen nog een nabije toekomst was: 2015 en 2017. Het is griezelig om te zien dat zoveel van wat er in de boeken beschreven werd, ondertussen ook echt gebeurd is. Maar als ik de uitleencijfers van de Stichting Lira mag geloven, zijn een paar korte boekjes over de Smurfen die ik op een blauwe maandag ooit vertaalde eigenlijk mijn populairste werk.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Een veertigtal. De laatste jaren vooral Young Adult, maar ook boeken voor jongere kinderen, prentenboeken, strips, non-fictie en een paar boeken voor volwassenen.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Het fijnste: creatief zijn met taal. Een oplossing zoeken voor allerlei uitdagende vertaalproblemen: woordspelletjes, liedjes, rijm… De voldoening die je voelt als je een lastige zin na een halfuur piekeren opeens toch vlot kunt laten lopen. Helemaal opgaan in een verhaal en je inleven in een personage om te bedenken hoe hij of zij iets precies zou zeggen.

Wat ik het minst fijn vind aan boeken vertalen is dat het voortdurend bikkelen blijft om een modaal inkomen bij elkaar te schrapen. De tarieven voor boekvertalingen zijn erg laag.

Hoe gaat dat, samen vertalen? Wat zijn de voor- en nadelen?
Ik werk geregeld samen met Tine Poesen, die gisteren al uit de doeken gedaan heeft hoe we te werk gaan als we in duo een boek vertalen.

Als je naar onze werkwijze kijkt, kun je al wel raden dat duovertalen niet meteen tijdsbesparend is. Een vertaling door twee vertalers is zeker niet dubbel zo snel klaar als een vertaling door één vertaler. Er gaat namelijk veel tijd zitten in het nakijken en becommentariëren van elkaars stukken. Dat is een klein nadeel, maar daar staan een heleboel voordelen tegenover! Het is bijvoorbeeld heel fijn om samen te kunnen overleggen over vertaalkeuzes en om over vertaalproblemen te kunnen brainstormen, want twee weten altijd meer dan één.

Het is ook enorm verrijkend om te merken dat er zelfs in een vrij rechttoe rechtane tekst altijd passages zijn die je co-vertaler net iets anders interpreteert dan jij. Je gaat vanzelf diepgaander over je boek en je personages nadenken. Natuurlijk is het in de eerste keren best confronterend om je vertaling terug te krijgen met allerlei op- en aanmerkingen in de kantlijn, maar dat went snel. Het eindresultaat wordt er alleen maar beter op, en je leert er ontzettend veel van bij. In het begin pakten Tine en ik elkaar met fluwelen handschoentjes aan, maar ondertussen kunnen we er alles uitflappen wat in ons hoofd opkomt zonder dat de ander dat persoonlijk opneemt.

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen? Welke vertaling vond je het moeilijkst?
Dagboek-van-een-klotejaarDe Dagboeken van een klotejaar vond ik erg fijn om te doen. Het thema, de klimaatsverandering, is natuurlijk erg relevant en ik vond dat de schrijfster het ook op een originele manier had weten te verpakken. Het zijn echt boeken die je aan het denken zetten. Ze bestaan uit een opeenvolging van dagboekfragmenten van een nogal grofgebekt zestienjarig meisje, afgewisseld met reclames, krantenartikelen, opstellen die ze voor school moet maken… Heel afwisselend dus.

En de vertaling die ik vorige week heb ingeleverd was ook een leuke: de strip Atom Agency van Yann en Schwartz, over een jonge privédetective die een juwelendiefstal onderzoekt. De strip zat boordevol verwijzingen naar gebeurtenissen uit de jaren veertig, realia uit die tijd, ouderwets argot, Marseillaans dialect, lang uitgesponnen woordgrapjes, noem maar op. Een hele kluif, en natuurlijk moest de vertaalde tekst ook nog in de tekstballonnen passen. Geweldig om te doen!

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Dingen die lastig zijn om te vertalen zijn eigenlijk vaak ook het leukst, als ze willen lukken tenminste. Woordspelingen zijn vaak moeilijk, omdat je ze natuurlijk bijna nooit letterlijk kunt vertalen. Daar kan ik dagenlang over lopen piekeren, en meestal krijg ik dan een gouden inval als ik onder de douche sta. Of midden in de nacht. Het is me al overkomen dat ik ’s nachts wakker word met een geniale inval en die dolenthousiast op een blaadje papier krabbel, om de volgende ochtend tot de ontdekking te komen dat die inval in the cold light of day toch net iets minder geniaal is.

Wat ik ook vaak moeilijk vind is dialect of hippe jongerentaal. Ik woon in Vlaanderen, wat betekent dat ik voor die taalvarianten niet kan terugvallen op wat ik om me heen hoor. Ik moet geregeld bij collega’s van boven de Moerdijk te rade gaan om te weten of een bepaald woord of een bepaalde vloek ook door Nederlandse jongeren gebruikt wordt.

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Ja, maar veel hangt af voor de leeftijd van de kinderen voor wie je vertaalt. Hoe jonger je publiek, hoe meer je automatisch rekening houdt met de manier waarop je iets verwoordt. In vergelijking met vertalen voor volwassenen is het ook vaker nodig om cultuurgebonden elementen (merknamen, etenswaren e.d.) te gaan toelichten. Ik probeer dan vaak een paar extra woordjes in de zin binnen te smokkelen die duidelijk maken waar het om gaat. Dan schrijf ik bijvoorbeeld niet Mam kwam hem tegen in de Duane Reade, maar Mam kwam hem tegen toen ze boodschappen deed in de Duane Reade. Daar kun je als lezer wel uit afleiden dat Duane Reade waarschijnlijk een supermarkt is. Of als iemand een nieuwe Hotpoint wil, zal ik geneigd zijn om het gewoon over een ‘wasmachine’ te hebben.

Is er verschil tussen vertalen uit het Engels, Frans en Spaans?
Taalwetenschappers zouden hier vast uren over kunnen doorbomen, maar er zijn inderdaad wel wat verschillen. Iedere taal heeft zijn eigen kenmerken die specifieke vertaalproblemen opleveren. In Engelse teksten kom je bijvoorbeeld om de twee zinnen wel een ‘gerund’ tegen, de bekende ‘-ing’ vorm van het werkwoord. In het Nederlands worden onvoltooide deelwoorden veel minder gebruikt, dus moet je daar telkens weer een oplossing voor verzinnen, en als het even kan liefst niet iedere keer dezelfde. In het Engels is het ook veel gewoner dan bij ons om een niet-levend ding uit zichzelf iets te laten doen, wandering hands en zo. Daar moet je mee uitkijken, want in een Nederlandse tekst worden zulke dingen vaak onbedoeld komisch.

Als ik uit het Frans vertaal, kom ik steeds woorden en constructies tegen die een paar registers hoger zitten dan wat we in het Nederlands in dezelfde situatie zouden gebruiken. Dan is het vaak nodig om dat register een beetje te ‘downtunen’, anders krijg je een heel zware, opgeblazen tekst in het Nederlands.

Voor Amerikaanse boeken geldt bijna het omgekeerde: daar zijn dialogen vaak zo cool en flitsend en is de grammatica in het hele boek zo spreektalig dat het een hele klus is om in het Nederlands iets te bedenken dat even soepel loopt zonder dat je in een soort straattaal vervalt.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
Alice in Wonderland. Ook al bestaan er al verschillende (en prachtige) vertalingen van dat boek, het lijkt me gewoon heerlijk om aan de slag te gaan met al die onzinnige en brutale liedjes en absurde dialogen.

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Ik denk dat het vertalen van jeugdliteratuur wel eens een van de laatste dingen zou kunnen zijn dat door computers overgenomen kan worden. Fingers crossed.

Hoe zou de wereld eruitzien zonder kinderboekenvertalers?
De wereld zou in ieder geval een saaiere plek zijn. Er zijn natuurlijk ook fantastische Nederlandstalige kinderboekenschrijvers, maar volgens mij zouden weinig jongeren (en volwassenen) de heerlijk gemene verhalen van Roald Dahl, de opblaasbare-onderbroekenlol van de Waanzinnige Boomhut of de epische strijd tussen Harry Potter en Voldemort hebben willen missen.

Ik vind het ook belangrijk dat kinderen verhalen kunnen lezen die in een andere cultuur geschreven zijn, dat ze al lezend andere landen en gewoontes kunnen ontdekken, dat ze kunnen reizen in hun hoofd. Vertalers van kinderboeken slaan op hun bescheiden manier bruggetjes tussen twee verschillende culturen, en dat blijft in deze Trumpiaanse tijden broodnodig.

Waar werk je op het moment aan?
Tine en ik leggen op dit moment de laatste hand aan onze vertaling van History Is All You Left Me, het tweede boek van Adam Silvera. In januari beginnen we aan zijn derde boek, More Happy Than Not. Ondertussen werk ik ook aan de vertaling van een rijkelijk geïllustreerd non-fictieboek over ecosystemen: The Wondrous Workings of Planet Earth van Rachel Ignotofsky.

Wat lees je in je vrije tijd?
Alles wat los en vast zit.

(foto Lies Lavrijsen © Gaby Jongenelen Photography for CELA Europe)

Tine Poesen: “Ik vertaalde inmiddels al vier boeken in duo en dat was elke keer heel prettig werken”

Ik ben 32 jaar en woon in Hasselt (België). Als ik niet achter mijn laptop zit, vind je me in het buitenland, in een bioscoop, bibliotheek of boekwinkel, in een concertzaal of op een festivalweide, in een bos en af en toe in het zwembad.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Het ging allemaal heel toevallig eigenlijk. Na mijn afstuderen (van een vrij theoretische literatuuropleiding) begon ik te werken als redacteur bij een kinder- en Meegesleurd-en-opgeslotenjeugdboekenuitgeverij en toen ze daar dringend iemand zochten om een YA-boek van Edeet Ravel (een Canadese auteur) te vertalen, bood ik mezelf aan. Dat boek heette Held en werd vertaald als Meegesleurd en opgesloten. Dat was in 2011. Daarna ging ik op zoek naar een praktische vertaalopleiding en kwam ik terecht bij de cursus van het ELV en via hen kreeg ik ook een (heel leerrijk) mentoraat van Annelies Jorna. Inmiddels volg ik een opleiding aan de Vertalersvakschool, eerst in Amsterdam en nu in Antwerpen. Ik leer dus nog elke dag iets bij over vertalen.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
De-bijzondere-kinderen-van-mevrouw-PeregrineDe reeks over De bijzondere kinderen van mevrouw Peregrine van Ransom Riggs, vermoed ik. Het eerste deel is verfilmd door Tim Burton, dus dat is vast het bekendst.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Een vijftiental, waaronder een paar prentenboeken en een non-fictieboek.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Het fijnst vind ik dat je je een tijdje helemaal kunt onderdompelen in een verhaal. Je kunt wekenlang vertoeven in een andere wereld die de auteur heeft gecreëerd. Het is ook heel fijn als de perfecte vertaling voor dat ene woord of die ene uitdrukking je opeens te binnen schiet (vaak op een onverwacht moment, op de fiets of onder de douche, als je het niet kunt opschrijven). Het minst fijne aan vertalen vind ik dat je altijd binnen zit, alleen achter je laptop. Daarom vind ik het zo fijn om in duo te vertalen. Sommige vertalers werken met spraaktechnologie en lopen door het huis tijdens het vertalen, maar dat heb ik zelf nog nooit geprobeerd.

Hoe gaat dat, samen vertalen? Wat zijn de voor- en nadelen?
Ik vertaalde inmiddels al vier boeken in duo met Lies Lavrijsen, en dat was elke keer heel prettig werken. Het vertaalproces liep die vier keren ongeveer op dezelfde manier: eerst lezen we het boek allebei helemaal door en daarna verdelen we de tekst in tweeën, zodat we allebei ongeveer evenveel woorden vertalen. Het is niet zo dat iemand de eerste helft vertaalt en de ander de tweede, maar meestal gaat dat hoofdstuk per hoofdstuk (zodat je tijdens het vertalen nog in het verhaal zit).

Soms, zoals bij de vertaling van They Both Die at the End van Adam Silvera (Op het einde gaan ze allebei dood) hebben we het geluk dat er meerdere perspectieven zijn. Lies nam daar het ene perspectief voor haar rekening en ik het andere. Nadat we allebei ‘onze’ hoofdstukken hebben vertaald, gaan we die van de ander kritisch nalezen. Daarbij schrijven we alles wat er in ons opkomt in de kantlijn. Die nagelezen hoofdstukken nemen we dan zelf weer grondig door. In een laatste fase overlopen we samen alle vertaalproblemen waar we het nog niet over eens waren. Tijdens dit hele proces wordt er uiteraard heel wat heen en weer gemaild. Het heeft voor- en nadelen om op deze manier te werken, maar daar heeft Lies morgen ongetwijfeld meer over te vertellen!

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Van Dale en Oxford Dictionary zijn de belangrijkste hulpmiddelen. Daarnaast raadpleeg ik synoniemenwoordenboeken, Taaladvies en woordenlijst.org. Maar ook Google is onmisbaar. Om achtergrondinformatie te vinden, maar ook om taalgebruik te bestuderen. Dat vergt wel enige discipline, want voor je het weet zit je alles te lezen wat er op het internet te vinden is over de Tudors, en intussen kruipt je deadline weer wat dichter. Ook op straat probeer ik altijd mijn oren te spitsen en Instagramaccounts als Treintaal.nl kunnen ook altijd als inspiratie dienen.

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
Vandaag ben ik het meest tevreden over de laatste vertaling die ik heb ingediend: de vertaling van A Map of Days van Ransom Riggs. Ik denk dat de laatst afgewerkte vertaling altijd boven aan mijn tevredenheidslijstje zal staan. En de vertaling waar ik het minst tevreden over ben zal altijd mijn eerste vertaling zijn. (Gelukkig is het niet andersom!)

Ik heb ontzettend veel plezier beleefd aan de vertaling van Tales of the Peculiar (Bijzondere vertelsels), een verhalenbundel met gruwelijke sprookjes en sages waar de personages uit de reeks van de bijzondere kinderen zogenaamd zijn opgegroeid. De verhalen zijn grappig en erg slim opgebouwd met hele mooie illustraties erbij.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Heel leuk, maar vaak ook erg lastig om te vertalen is jongerentaal. Vaak zijn het vlotte, flitsende zinnen met een sarcastisch sausje eroverheen. Nou, begin er maar aan. Niet alleen lastig omdat die taalvariant zo mogelijk nog sneller verandert dan andere, maar ook omdat er een groot verschil is tussen jongerentaal in verschillende regio’s. (Van Vlaamse lezers hoor ik vaak: ‘Maar zo zéggen wij dat helemaal niet!’ Iets waar Nederlandse vertalers zich misschien minder bewust van zijn.) Het lastigst vind ik dat Engels (de taal waaruit ik meestal vertaal) in Nederland en België zo verweven is met het dagelijks taalgebruik van jongeren. Moet je holy shit dan nog vertalen of niet? Het blijft een moeilijke, maar boeiende evenwichtsoefening.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
Matilda van Roald Dahl!

Van welke schrijver zou je graag eens een boek vertalen?
Ik hou erg van auteurs die goede dialogen kunnen schrijven, en bij YA-boeken blinkt Rainbow Rowell daar voor mij in uit.

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, al kan ik me wel voorstellen dat vertalers computervertalingen ooit – als ze véél beter worden dan ze nu zijn – sneller zullen gebruiken als een soort van basisvertaling. Maar dan zal er toch nog heel wat aan geschaafd moeten worden. Mensen zeggen (of schrijven) zelden wat ze echt bedoelen. De onderliggende betekenissen en nuances van een taal zal een computer nooit kunnen begrijpen. Om over beeldspraak, woordspelletjes, humor en poëtisch taalgebruik nog maar te zwijgen.

Waar werk je op het moment aan?
Op dit moment leg ik samen met Lies de laatste hand aan onze vertaling van History Is All You Left Me van Adam Silvera (in onze vertaling Vroeger is alles wat ik van je heb). Dat betekent dat we nog een paar laatste knopen moeten doorhakken voor we het naar de redacteur sturen.

Wat lees je in je vrije tijd?
Van alles! Van Lampje tot A Little Life. Ik probeer zo veel mogelijk in het Nederlands te lezen, zowel vertaalde boeken als oorspronkelijk Nederlandstalige boeken. Vaak schrijf ik af en toe iets op tijdens het lezen. Leuke vondsten, mooie zinnen of woorden, om later bij het vertalen als inspiratie te gebruiken. Ik neem mezelf altijd voor om meer non-fictie te lezen, maar meestal kom ik dan toch weer bij boeken over taal uit. Zo kocht ik onlangs Taal voor de leuk van Paulien Cornelisse. Heul benieuwd!

Anne Douqué: “Niek de Groot werd echt mijn ‘vriendje’ op papier”

Mijn naam is Anne Douqué. Ik ben 37 en ik woon met mijn vriend Bas en zoontje Gijs (ruim 1,5) in Vinkeveen. We zijn net verhuisd en dat is heel fijn, want nu heb ik een grote werkkamer op zolder met prachtig uitzicht over de daken en bomen in de buurt. Als ik niet aan het werk ben, ga ik lekker met Gijs op pad naar de kinderboerderij, zwemmen, naar de bibliotheek of fietsen in de buurt. Voorlezen vindt hij ook geweldig, vooral als het boeken over auto’s zijn. Ik hou zelf ook erg van lezen, maar ook van knutselen zoals haken, breien en naaien. En ik zwem zelf graag. Sport kijken op tv vind ik heerlijk!

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik werkte van 2005 tot 2008 in het Van Gogh Museum. Daar vertaalde ik wel eens tekstjes voor de webshop, waar je bijvoorbeeld een mooie poster van Vincents zonnebloemen online kunt kopen.

Eind 2007 begon ik – tegelijkertijd – met mijn eigen bedrijf en de eerste vertalingen die ik deed, waren scriptvertalingen. Dat zal ik even uitleggen: vaak zie je op tv of op Netflix (tekenfilm)series en films met Nederlandse stemmen. De acteurs die die stemmen moeten inspreken, hebben natuurlijk een Nederlandse scripttekst nodig, anders weten ze niet wat ze moeten zeggen in de studio! Ik vertaalde de Engelse scripts naar het Nederlands voor opnamestudio’s waar ze tekenfilms nasynchroniseren.

Mijn eerste boekvertaling deed ik in 2010 voor The House of Books. Dat was geen kinderboek, maar een waargebeurd verhaal over het moeilijke leven van een Chinese vrouw die een kindje krijgt, maar dat kindje niet mag houden. Helaas gebeurt dat veel in China. Het heet Bericht van een Chinese moeder.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
DrakendalIk denk dat de Niek de Groot-serie het bekendst is. Die wordt in elk geval veel geleend bij de bieb! En de Drakendal-serie wordt ook steeds bekender. Ik hoorde dat er al lekker veel boeken over Fee en haar magische vrienden zijn verkocht! Ik vind dat zelf ook twee topseries, trouwens.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ik weet het niet zo goed uit mijn hoofd… ik denk ongeveer 8 voor volwassenen en ongeveer 18 voor kinderen. Maar er liggen binnenkort nog 5 door mij vertaalde kinderboeken in de winkel!

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Zonder mijn woordenboek, de Van Dale Engels-Nederlands en Nederlands, ben ik nergens! Andere handige boeken die ik gebruik zijn het Prisma voorzetselwoordenboek en het Van Dale Idioomwoordenboek met (bijna) alle Nederlandse gezegden en uitdrukkingen. Dat laatste heb ik net gekocht en het boek is superleuk om ook ‘gewoon’ doorheen te bladeren, omdat je soms helemaal niet weet waar een uitdrukking vandaan komt. Wist je bijvoorbeeld dat ‘iemand te grazen nemen’ oorspronkelijk betekende dat je voor de grap een hoop gras over iemand heen gooit? De uitdrukking komt uit de 17e eeuw, van het woord ‘grazelen’. Nu kennen we de uitdrukking als ‘iemand te pakken nemen’ of ‘iemand pijn doen’. Gras op je hoofd doet niet echt pijn, natuurlijk, maar je herkent de oude betekenis er wel in terug.

Het Prisma Namenboek is ook ontzettend handig, als ik leuke Nederlandse namen voor de personages in het verhaal moet verzinnen. Tot slot: Het juiste woord. Dat is een gigadik woordenboek met alle synoniemen die je maar kunt bedenken.

Internet is mijn tweede onmisbare bron. Synoniemen.net (als ik snel een synoniem nodig heb), Woordenlijst.org (de website van het Groene Boekje: hier check ik de spelling van moeilijke woorden, zoals ‘updaten-geüpdatet’), Wikipedia (voor alle begrippen en verschijnselen die in een boek worden uitgelegd, van middeleeuwse kanonnen tot hemellichamen) en Engelse woordenboeken zoals Merriam-Webster (de Dikke Van Dale van Groot-Brittannië, zeg maar) als ik meer wil weten over de betekenis en connotatie van een woord (dat betekent: hoe mensen een woord beoordelen. Hebben ze er bijvoorbeeld een positief of negatief gevoel bij? ‘Belhamel’ klinkt bijvoorbeeld een stuk schattiger dan ‘lastpak’, terwijl het ongeveer hetzelfde betekent.)

Een andere bron waar je misschien niet zo snel aan denkt is UrbanDictionary.com, waar je ‘slang’ kunt vinden – oftewel populaire taal zoals ‘BFF’ en ‘super duper’. Tot slot gebruik ik vaak Twitter en een besloten mailgroep van boekvertalers als ik speciale of heel moeilijke vertaalvragen heb. En voor ander vertaalwerk (dus niet voor boekvertalingen) gebruik ik een vertaalprogramma.

Niek-de-Groot-flikt-het-m-weerOver welke vertaling ben je het meest tevreden?
Over de boeken van Niek de Groot ben ik het meest tevreden. Omdat ik de hele serie mocht doen, werd hij echt mijn ‘vriendje’ op papier en wist ik precies wat voor soort grapjes hij maakte. Omdat de Niek de Groot-boeken ook deels met stripjes zijn geschreven, is het soms enorm puzzelen om van een grapje mét tekening ook in het Nederlands een goed grapje te maken. En als dat lukt… yessssss : ). Daar word ik héél gelukkig van!

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Ja en nee.

Nee: kinderen weten meer dan je denkt en ik vind dat je ze niet ‘kinderlijk’ moet benaderen. Het is dus niet zo dat ik moeilijke woorden expres vervang door makkelijke woorden omdat het toevallig een kinderboek is. Bovendien kunnen kinderen veel leren van lezen, dus dan is het juist leuk om soms een woord te gebruiken dat ze misschien nog niet kennen!

Ja: je moet als vertaler goed opletten wie er aan het woord is in een boek. Een kind praat anders dan een volwassene. Een volwassene kan best een ouderwetse uitdrukking gebruiken (‘Zeg, kerel, de pot verwijt de ketel dat-ie zwart ziet!’), maar een kind hoor je dat niet zo snel zeggen Als ik een kinderboek vertaal, dan zorg ik dat de dialogen passen bij de kinderen in het boek én bij de kinderen die de boeken lezen. Anders kunnen de lezers zich niet goed in het verhaal verplaatsen, of er ‘helemaal induiken’.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?/ Van welke schrijver zou je graag eens een boek vertalen?
Een-ongewone-familieVan de Britse schrijver Matt Haig heb ik ooit een heel grappig boek vertaald over een vampierfamilie (Een ongewone familie). Daarna is er lang niks meer van hem verschenen in het Nederlands, maar nu schrijft hij niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen heel mooie boeken. Iemand anders is nu de vertaler van zijn werk geworden en dat vind ik stiekem wel eens jammer, omdat ik Matt zo’n geweldige schrijver vind. (Zoek maar eens op The Humans, The Boy Who Saved Christmas en The Truth Pixie.)

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, helemaal niet. Vertaalmachines zoals Google Translate en DeepL zijn juist superhandig omdat je als vertaler graag zoveel mogelijk manieren wilt hebben om woorden op te zoeken of met een tekst te puzzelen. En uiteindelijk zal het voor een computer moeilijk zijn om gevoel en menselijkheid in een tekst te leggen. Denk maar aan het voorbeeld van ‘belhamel’ en ‘lastpak’ bij een vorige vraag. Soms wil je het ene woord gebruiken, maar soms juist het andere. Dat kan een computer niet leren. En een computer kan ook het ritme van de zin niet goed bepalen. Lees maar eens een stukje hardop voor uit je boek. Als je nergens over een woord struikelt, of hoeft na te denken over wat er eigenlijk staat, dan is het goed vertaald.

Bovendien gebruik ik (voor ander vertaalwerk) het vertaalprogramma MemoQ. Eigenlijk is dat ook een soort vertaalcomputer. Stel, je moet een tekst vertalen over auto’s. Dan kun je een speciale termenlijst uploaden met specifieke vertaalcombinaties (gearbox – versnellingsbak, spark plug – bougie). MemoQ herkent de woorden en geeft je de mogelijkheid om met één klik de juiste vertaling in te voeren. Bovendien onthoudt het programma wat je al vertaald hebt, zodat je meteen de juiste vertaling kunt aanklikken als je een zin tegenkomt die precies hetzelfde is, of heel erg lijkt op, een stukje dat je al eerder vertaald hebt. Dat maakt het werk een stuk efficiënter en sneller. Desondanks moet ik die vertalingen ook nog altijd goed checken om zeker te weten dat het programma niets over het hoofd heeft gezien. Ik betwijfel of het ooit zover komt dat zulke programma’s net zo nauwkeurig kunnen vertalen als mensen.

Annelies Jorna: “Vertalen is van ver halen wat een ander eerder verhaalde”

Ik groeide op in een tijd met weinig tv, en zonder afleiding van toen nog ondenkbare computergames en appjes, maar bovendien kom ik uit een echt ‘boekengezin’. Geboren in 1951 in Bussum, waar ik weer woon, na bijna dertig jaar in Groningen Stad & Ommeland. Op mijn zestiende werd mijn eerste roman uitgegeven: Tarantella. Ik vertrok naar Engeland, werkte als au pair, schreef, studeerde (Londen) en later heb ik nog Engels en onderwijskunde gedaan in Groningen. Natuurlijk is lezen, veel lezen, de breedste ‘opleiding’ in het leven gebleken: een ontwikkeling die nooit ophoudt.

In Groningen heb ik parttime lesgegeven aan de universiteit. Ook heb ik er nog een tijd bij gewerkt als ondertitelaar: je leert geweldig comprimeren en de essentie uit een monoloog of dialoog halen. Nu geef ik soms nog lezingen en workshops voor vertaalstudenten en collega’s, en af en toe ben ik mentor van nieuwe vertalers. De Nederlandse en Vlaamse Letterenfondsen vragen me weleens om advies uit te brengen over subsidieaanvragen voor te vertalen kinder- en jeugdboeken.

Hoe ik vertaler werd
Vertaler werd ik toen ik destijds terugkwam uit Engeland en een baan kreeg op de redactie van de uitgeverij waar ik publiceerde: Van Dishoeck, Van Holkema & Warendorf (het latere Unieboek). Het werk werd me ‘gewoon’ opgedrongen! Op een dag legde de uitgever het enige boek van Bob Dylan, Tarantula, op mijn bureau en zei: ‘Ga jij dit maar thuis vertalen, dat kun je best.’ De eerder gecontracteerde dichter-vertaler had het laten afweten. Voor beginnende vertalers van nu is het bijna onvoorstelbaar dat ik er zo ben ingerold. Van Dishoeck dacht vast: die titel lijkt ook nog op die eerste van haarzelf.

Van ouder naar jonger
Eenmaal in Groningen ging ik me na veel boeken voor volwassenen specialiseren in het vertalen van kinder- en jeugdboeken, ook doordat ik zelf kinderen kreeg. Ik vertaal intussen al bijna een halve eeuw! Al in 2005 kreeg ik de Martinus Nijhoffprijs voor ‘mijn gehele oeuvre’: dat klonk alsof ik mocht stoppen, maar dat oeuvre groeit gelukkig door, want vertalers en schrijvers stoppen niet, ze blijven jong van geest bij hun werk, ha! Er staan nu ongeveer 200 titels op mijn naam.

Stad-van-maskersMijn bekendste vertalingen zijn waarschijnlijk de zes delen van de Stravaganza-serie van Mary Hoffman (12+). Vaak herdrukte boeken over jongeren die reizen door de tijd tussen het Engeland-van-nu en het zestiende-eeuwse Talia, waarin we Italië herkennen, een avontuurlijke verweving van historische en hedendaagse verhaallijnen en thema’s. Maar het kunnen ook, of daarnaast, de Mol-prentenboeken van Jonathan Emmett en Vanessa Cabban zijn, met titels als ‘Ik wil de maan’ en de verwonderde molletjeskreet: grote-grondgravers-nog-aan-toe (origineel: hot-diggity!)

Vertalen is van ver halen wat een ander eerder verhaalde…
… zo definieer ik meestal mijn werk. Ik kruip in het hoofd van de auteur. Dat is het mooie van vertalen: je blijft over je eigen grenzen kijken, neemt door taal en verhaal steeds een nieuwe rol aan, zet de ramen wijd open naar andere landen en mensen, en dat terwijl je gewoon thuis zit, met het boek, je computer, wiki en online woordenboeken. (Vroeger met een dikke encyclopedie, véél papier, een ouderwetse, grote typemachine en váák naar de bieb voor naslagwerken!) Een boek moet voor mij lezen alsof de anderstalige auteur het zelf in soepel Nederlands heeft geschreven, de brontaal mag er nooit doorheen janken, maar je mag wél altijd merken dat het ‘van elders’ komt. De personages worden mijn onzichtbare huisgenoten die ik goed Nederlands moet leren voordat ze hier op eigen benen kunnen staan. In de tussentijd heb ik veel plezier met ze, soms ruzie, af en toe kan ik ze niet uitstaan, ze maken me ’s nachts weleens wakker, maar ze ontroeren me ook en blijven zichzelf, in hun nagemaakte jasje, met al hun eigenheid, woordspelingen en taalvondsten. Daarvoor moet ik met mijn eigen taalvermogen soms tot het uiterste gaan, en liefst een stapje verder, om de auteur en zijn boek alle eer aan te doen. Ook bij mezelf moet ik het soms ‘van ver halen’.

Het-ware-verhaal-van-het-monster-Billy-DeanHet moeilijkste boek om te vertalen was Het ware verhaal van het monster Billy Dean van David Almond, niet een van zijn vrolijker kinderboeken vol grappen en subtiliteiten, zoals De jongen die met piranha’s zwom of Het wonderlijke verhaal van Angelino Brown, die vooral heel leuk waren om te doen, maar een duisterder verhaal, dat helemaal fonetisch was geschreven. In het Nederlands moest dat natuurlijk zo blijven. Door de grammaticale, structurele en cultuurspecifieke verschillen tussen de twee talen heeft dat veel hoofdbrekens gekost, maar het is wel gelukt. Ook allesbehalve eenvoudig was de enorm dikke pil van Aidan Chambers, Dit is alles – het hoofdkussenboek van Cordelia Kenn, een YA-roman van filosofisch-psychologische aard, met een experimenteel tussendeel, en voor de pret ook nog een terloops ingebouwde literatuurcursus met veel verwijzingen naar literaire klassiekers.

Eigenlijk heeft elk boek z’n eigen complicaties en puzzels, die je pas merkt als je je er als vertaler in verdiept, meer dan een lezer of recensent ooit zal doen. Een boek vertalen is nooit ‘woordjes en zinnen omzetten’, maar vooral: aanvoelen en schrijven, zodat ik echt niet bang ben dat vertaalcomputers dit werk over kunnen nemen. Computers ‘lezen heen’ over alle suggestiviteit en originele vondsten in een boek, missen de verbeeldingskracht om te visualiseren en zich in te leven. Computers hebben geen gevoel, en dat is misschien wel het allerbelangrijkste bij het vertalen. Om nog maar te Het-alfabet-van-Candice-Pheezwijgen van vindingrijkheid, van vrijheid durven nemen en te spelen met taal om in andere woorden hetzelfde uit te kunnen drukken. Ik denk bijvoorbeeld aan Het ABC van Candice Phee van Barry Jonsberg, vorig jaar verschenen, waarin elk hoofdstuk begint met een Engels woord dat, in vertaling, natuurlijk een heel andere beginletter heeft. Dan moet je een ander woord vinden – of verzinnen – dat de lading van het hoofdstuk toch dekt. Zie je het een computer doen?

Als je me vraagt naar vertaalblunders zijn die er vast geweest, zeker toen ik net begon, maar tegelijkertijd heb ik altijd het geluk gehad om met heel goede redacteuren en persklaarmakers te werken, die me voor valkuilen hebben behoed en van wie ik veel heb geleerd. Zij zijn de onmisbare mensen achter de schermen, vaak nog ‘onzichtbaarder’ dan de vertalers. En dan zijn er de collega’s: door internet is er veel meer wisselwerking en feedback onder vertalers ontstaan, zodat we elkaar uit linke vertaalbrandjes kunnen helpen.

Tevreden ben ik wel als een niet eerder vertaald gedicht of liedje een in ritme, toon en zeggingskracht een bijna gelijkwaardig Nederlandse versie heeft gekregen. Ik zeg bijna, want een beetje verlies met het origineel moet ik soms nemen, een noodzakelijke afwijking omdat nu eenmaal niet alles rechtstreeks vertaalbaar, maar wel zo dicht mogelijk benaderbaar is. Dat kun je dan vaak op een andere plek weer compenseren. Echte perfectie bestaat niet, denk ik, maar ha, we doen ons best!

Ons vak verandert mee met ontwikkelingen in de samenleving. Dat merk je ook aan de omgangstaal, en het meest nog aan jeugdtaal. Het is dus zaak om met wijd open oren en ogen ‘onder de mensen’ te zijn, te luisteren en te kijken. Wie praat, wat voor type? Een simpel voorbeeld is dat we pakweg vijftien jaar geleden nog het woordje ‘cool’ vertaalden, wat zo ingeburgerd is geraakt dat je het niet meer in je hoofd zou halen om dat niet te laten staan. Maar het is ook oppassen geblazen met straattaal: die wisselt zó snel dat je risico loopt algauw in een daterend register te zitten. Tegelijkertijd is onze taal zo rijk dat het top is om smeuïg eigentijds of juist ouder Nederlands te kunnen gebruiken, volks of bekakt, plechtig of laconiek, passend bij het personage. Ik ben geen fan van verengelsend taalgebruik, dat vaak onnodig awkward is (knipoog). Dialogen hardop uitproberen: het is een geliefde bezigheid van me om de melodie en emotie van de spreker te proeven.

Zonder kinderboekenvertalers zou de boekenwereld beperkter zijn. Wij hebben zelf geweldige schrijvers, maar een mooi vertaald boek uit de ruime buitenwereld biedt ook weer andere ideeën en inzichten en is een verrijking van onze verhalenschat.

Werk en lezen nu
Ik ben net begonnen aan de vertaling van een dik jeugdboek dat de betekenis van taal in ons leven als sub-thema heeft: De woordsmid. Het verschijnt volgend jaar pas en ik zeg er verder alleen dit over: als iets blijkt uit dat gelaagde, spannende boek is wel dat we de rijkdom van natuurlijke, levende taal nodig hebben om zelfstandig en kritisch te kunnen denken, om oplossingen te vinden en te kunnen overleven.

Zoals ik vertaal, voor bijna alle leeftijdsgroepen (met prentenboeken als ware feestjes, waarbij er een onzichtbare peuter of kleuter op schoot zit), zo lees ik ook: van alles. Ik heb net het al wat oudere boek Achter de draad van Hans Kuyper uit, en het nieuwere Katvis van Tjibbe Veldkamp. Daarnaast heb ik recent ook Zomervacht van Jaap Robben gelezen, prachtig, en de historische pil De levens van Jan Six van Geert Mak. Op stapel staan Tegenwoordig heet iedereen Sorry van Bart Moeyaert en De acht bergen van Paolo Cognetti, vertaald door Yond Boeke en Patty Krone. Veel en goed Nederlands lezen is belangrijk voor vertalers, en daaronder reken ik zeker ook mooie vertalingen van collega’s.

Anneke Bok: “Als kinderboekenvertaler ben ik een betrekkelijke nieuwkomer, maar wat is dat een leuk specialisme!”

Ik woon in Alkmaar, heb Nederlands en Engels gestudeerd aan een lerarenopleiding, heb vijf jaar lesgegeven aan een middelbare school en ben daarna in het vertalen gerold. Naast het vertalen geven ik sinds kort les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Dat is echt fantastisch om te doen: anderen enthousiast maken voor het vak en je vakkennis en ervaring doorgeven.

Ik lees graag, houd van koken en kookboeken en luister graag naar podcasts, zoals Echt gebeurd en The Moth. Sporten is geen hobby van me, maar vertalen is in elk geval mentale topsport, dus dat houdt mijn hersens fit, en met het bijhouden van huis en tuin beweeg ik toch wel voldoende. Ik loop zelfs rond met een stappenteller om te zien of ik wel actief genoeg ben.

KerewinWanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Mijn eerste literaire vertaling is uit 1985: de roman Kerewin van de Nieuw-Zeelandse Keri Hulme, die dat jaar de Booker Prize won. Het werd meteen een enorme bestseller, dus ik denk dat het ook een van mijn bekendste vertalingen is. Kerewin is nog steeds in druk, wat tegenwoordig heel bijzonder is voor een boek dat zo lang geleden is verschenen.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Gemiddeld vertaal ik vier boeken per jaar, dus dat zullen er inmiddels zo om en nabij de honderdvijfentwintig zijn; ik heb ze nooit geteld. Als kinderboekenvertaler ben ik een betrekkelijke nieuwkomer, maar wat is dat een leuk specialisme!

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Lezen is van jongs af aan mijn grote liefde geweest, en er is natuurlijk niets mooiers dan van je liefde voor iets je werk te kunnen maken. Ik vind het prettig om thuis in mijn eentje rustig en geconcentreerd te kunnen werken. Ik houd van puzzelen en vertaalproblemen oplossen, doe graag research naar allerlei zaken waar ik weinig tot niets van afweet, zoals vioolbouw, beleggingsalgoritmes, details van negentiende-eeuwse schoenen, de flora van South Carolina of bijzondere vissoorten – je kunt het zo gek niet bedenken of je komt het wel eens tegen in een boek.

Vertalen dwingt je om steeds actief met taal bezig te zijn. De taal is voortdurend in ontwikkeling en kent heel veel verschillende registers die je moet beheersen, van heel verheven tot heel plat. Je bent dus nooit uitgeleerd en alles op taalgebied is relevant, ook een gesprek in de supermarkt dat je opvangt. Gisteren nog op de groenteafdeling van AH, een kind tegen zijn moeder: ‘Mag ik een fruitje?’ Of de uitspraak van een man in een tv-programma: ‘Mijn vrouw is overleden, zeg maar.’ Daar kan ik lang over nadenken, de functie in die zin van dat ‘zeg maar’. Ik zuig dat allemaal op als een taalspons, ooit komt het misschien een keer van pas.

Hoewel ik graag alleen werk, is dat toch ook een minder fijn aspect van het vertalen, maar dat ondervang ik door met enige regelmaat een duovertaling met een collega te doen. Dan vertalen we om en om een hoofdstuk, wisselen onze vertalingen met elkaar uit, voorzien die van commentaar en suggesties die verwerkt worden in de tekst, en lezen elkaar aan het eind de hele vertaling skypend voor, iets wat vooral goed werkt bij dialogen. Aan een zin die je niet moeiteloos kunt voorlezen, moet nog gesleuteld worden. Vooral dat sleutelen, schaven en schuren is erg leuk om samen te doen. Duovertalen houdt je scherp en maakt je bewust van je blinde vlekken, beperkingen en vertaaleigenaardigheden, maar ook van de sterke kanten van jezelf en de collega.

Het lesgeven is een andere manier om als vertaler naar buiten te treden en even uit je comfortzone te stappen. Dat vereist reflectie op het vak: waarom doe je wat je min of meer intuïtief doet? Waarom is de ene vertaling beter dan de andere? Wat is de essentie van vertalen en hoe breng ik dat over?

Hoe ga je te werk?
Ik lees het boek eerst een keer snel, zoals een lezer zou doen. Daarna nog een keer met een marker in de hand om lastige passages, citaten, gedichten en andere research vergende dingen te markeren. Als het boek al verschenen is, lees ik alles wat ik erover kan vinden op internet: recensies, interviews en dergelijke. Soms lees ik er artikelen omheen die meer inzicht verschaffen in een schrijver, een bepaalde periode of een specifiek aspect van het boek.

Dan ga ik vertalen, het liefst in één keer door zonder iets terug te lezen. Wel pas ik gaandeweg de vertaling van sommige woorden of begrippen al aan. En ik doe alle benodigde research en schakel soms deskundigen in. Ik prijs me heel gelukkig met een Engelstalige vriendin en vertaler, Jo Nesbitt, aan wie ik altijd begripsvragen kan voorleggen. Het is soms lastig in te schatten hoe gewoon of ongewoon een bepaalde Engelse formulering is. Pas daarna ga ik mijn ruwe versie hoofdstuk voor hoofdstuk kritisch reviseren. En tot slot lees ik het geheel geprint en wel nog een keer helemaal door. Op papier lees je toch anders dan op het scherm.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Ik probeer voor tien uur ’s ochtends alle huishoudelijke en administratieve zaken te doen. Hoe mijn dag er uitziet, wisselt sterk. Mijn ideale werkdag zou helemaal vrij zijn om te vertalen, maar dikwijls lopen er projecten door elkaar. Je hebt een nieuw boek onder handen, maar dan stuurt een uitgeverij bijvoorbeeld de correcties van de persklaarmaker van een vorige vertaling. Of er komt een zetproef binnen van het boek daarvoor, die moet worden nagekeken. Er komt een nieuw hoofdstuk binnen van de duovertaler of ik moet een hoofdstuk panklaar maken. Dat goed managen van je tijd is lastig, maar ik probeer me aan mijn werkschema te houden: zoveel bladzijden per dag en nooit stoppen bij een moeilijke passage. Het corrigeren en reviseren schuif ik zoveel mogelijk op naar het eind van de dag, en dat loopt weleens uit tot de avond, en over een weekend werken doe ik ook niet moeilijk. Daar staat namelijk tegenover dat ik doordeweeks leuke dingen kan plannen en contacten kan onderhouden.

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Een vertaling die je doet vergeten dat het een vertaling is, maar die wel de stijl van de schrijver in alle opzichten recht doet, dus zonder het gladstrijken van eigenaardigheden. En zonder er een Hemavertaling van te maken die te veel vernederlandst is. Het is je taak om te vertalen wat er staat, dicht bij de tekst te blijven als dat kan en vertaalvrijheid te nemen wanneer dat nodig is. Juist het vinden van dat evenwicht is wat vertalen zo leuk maakt.

Aan welke vertaling heb je goede herinneringen?
De-goudvisjongenIk vond het vertalen van mijn allereerste kinderboek, De goudvisjongen van Lisa Thompson (verschenen bij MEIS & MAAS), een geweldig leuke ervaring. Heel verfrissend om me op een ander publiek dan volwassenen te kunnen richten. Het vertalen van jeugdliteratuur stelt je voor andere vragen. Bijvoorbeeld: welke woordenschat heeft een kind, welke woordspelingen kun je maken, wat is gangbare, maar niet al te snel daterende jongerentaal? En er spelen andere overwegingen mee: in hoeverre is een twaalfjarige al bekend met cultuurgebonden zaken en tradities, zoals bijvoorbeeld het zingen van ‘Auld Lang Syne’ op Oudejaarsavond? Zijn sommige Engelse namen – zoals ‘Cymbeline’ ‒ te moeilijk leesbaar of uit te spreken? Ga je die dan aanpassen of laat je ze staan? Bij het vertalen van jeugdliteratuur dienen er voortdurend keuzes te worden gemaakt tussen exotiseren, neutraliseren en naturaliseren. Voor wie daar meer over wil weten: daarover is op internet een uitstekend artikel van Jan van Coillie te vinden.

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
De-nachtlantaarnIn De nachtlantaarn, het tweede boek van Lisa Thompson, zoeken kinderen op een groot landgoed aan de hand van op rijm gestelde aanwijzingen naar een oude schat. De eerste verwijst naar een taxusboom. Het Engels is compacter, dus het was een heel gepuzzel om alle informatie over te brengen. Tevreden ben ik vooral over de alliteratie in de tweede regel van de vertaling, die werd ingegeven door het ‘still strong’ uit de eerste regel van het rijmpje.

Clue 1
I’m a thousand years old yet still strong as lead
I’m symbolic of life, yet watch over the dead.
My roots they are deep, they are solid and true,
If you seek me out now you will find the next clue.

Aanwijzing 1
Duizend jaar oud ben ik en toch niet kaal,
mijn gestel is solide en sterk als staal.
Beschermer van de doden en symbool van het leven;
jong of oud is mij om het even.
Mijn wortels reiken tot diep in de aarde,
als je me vindt, krijg je iets van waarde.

Wat was je grootste vertaalblunder?
In een van mijn vertalingen staat in de eerste alinea nog een roestende aluminium emmer. Daar heb ik van geleerd dat je kritisch moet blijven kijken naar een tekst; auteurs maken fouten en zijn soms inconsequent. Het is altijd fijn om tijdens het vertalen contact met een schrijver te hebben om bepaalde dingen te kunnen overleggen.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Lastig te vertalen zijn passages over zaken waar ik totaal geen verstand van heb met een bijbehorende terminologie die me niet van nature eigen is. Daar gaat veel tijd in zitten. Een aardig voorbeeld komt uit het binnenkort te verschijnen jeugdboek van Adam Baron, De jongen onder water, waarin een hoogbegaafd meisje het beleggingsbegrip ‘short’ uitlegt.

Niemand zei iets, totdat Veronica vroeg: ‘Zaten jullie short?’
Oom Chris antwoordde niet, dus vroeg ik aan Veronica: ‘Gaat het nu over een korte broek?’
‘Nee. Niet “shorts”. Enkelvoud: “short”.’
‘Oké. Met maar één pijp?’
‘Neeee. Timon, je oom Chris beheert geld van mensen en heeft beloofd daarmee stukjes van andermans bedrijven te kopen. Snap je?’
‘Eh… tja.’
‘Die stukjes worden aandelen genoemd. Als hij ze echt koopt, verdient hij geld als de prijs is gedaald sinds hij het beloofde. Het is alsof je hoopt dat iemand op sportdag als laatste eindigt.’
‘Maar wat is er dan misgegaan?’
‘Het is te riskant. Als de prijs stijgt en niet daalt, moet je ze nog steeds kopen. En dan verlies je geld. Het kan best een paar keer goed gaan, maar na een poos gaat het geheid mis, vooral als je shortposities niet gestaafd worden door de algemene economische omstandigheden. Het wordt nog erger bij een te hoge margeverplichting.’

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, een vertaalprogramma kent en herkent geen humor, kan niet de juiste keus maken wanneer een woord meerdere betekenissen heeft, ziet vaak niet het verschil tussen de werkwoordstijden en heeft bovenal geen taalgevoel of leeservaring. En geen liefde voor het vak, en dat is naar mijn idee onontbeerlijk bij vertalen.

Waar werk je op het moment aan?
Ik heb net de vertaling afgerond van Boy Underwater van Adam Baron, De jongen onder water. Een prachtig, heel aangrijpend verhaal over een Engelse jongen die nooit heeft leren zwemmen en gaat onderzoeken waarom niet. Hij stuit op een groot familiegeheim, dat veel verklaart, maar ook nieuwe vragen opwerpt. Een boek dat met veel vaart en humor is geschreven, met schitterende illustraties van Benji Davies.

Wat lees je in je vrije tijd?
Ik ben een alleslezer, met een lichte voorkeur voor goede thrillers. Op het moment lees ik De levens van Jan Six van Geert Mak. Daarvoor heb ik een paar boeken gelezen van Erik Vlaminck – wat een rijk idioom, prachtig. Ik lees uiteraard veel Engels, maar ook oorspronkelijk Nederlands werk en vertalingen. Nederlands lezen blijft de beste manier om de rijkdom en de variëteit van de taal te ervaren en je andere registers eigen te maken. En de laatste kinderboeken die ik heb gelezen zijn van de Ierse schrijver Paul Gamble, deel een en twee van The Ministry of suits. En het eerste deel van een Australische reeks jeugdboeken, Echte duiven vangen boeven van Andrew McDonald, uitgegeven door Billy Bones en vertaald door twee beginnende vakgenoten, Koen Boelens en Helen Zwaan, die ik heb begeleid in het kader van een ontwikkelingsbeurs van het ELV, het Expertisecentrum literair vertalen in Utrecht.

David Colmer: “Een goed boek heeft een soort magie en het verbaast me nog steeds dat ik daaraan heb mogen bijdragen”

Ik kom uit Australië en ben opgegroeid in een groot gezin als de achtste van tien kinderen. Mijn familie en omgeving waren volstrekt eentalig en ik ben de enige van mijn broers en zusters die vreemde talen spreekt. Die talen heb ik trouwens pas in het buitenland geleerd.

Hoewel ik altijd veel interesse in de literatuur had, studeerde ik in Australië medicijnen, maar liet dat uiteindelijk voor wat het was en ging op reis. Ik ben getrouwd met een Nederlandse vrouw die ik in West-Berlijn ontmoette en woon sinds 1992 in Amsterdam. Ik heb twee dochters en een kleindochter. Behalve vertaler ben ik ook schrijver en samensteller van bloemlezingen. Ik vertaal kinderboeken, maar ook romans en poëzie voor volwassenen.

Bare-handsWanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik ben al meteen in 1992 begonnen met vertalen, terwijl ik eigenlijk nog Nederlands moest leren! Het duurde dan ook een tijd voordat ik literaire opdrachten kreeg. Mijn eerste romanvertaling was 228 seconden van stilte van Max Dendermonde (1994), mijn eerste echte kinderboek Blote handen van Bart Moeyaert (1999).

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?Jip-and-Janneke
Als we over kinderboeken praten, waarschijnlijk mijn vertalingen van Annie M.G. Schmidt, zoals Jip and Janneke of een selectie van de gedichten (A Pond Full of Ink / Een vijver vol inkt). Voor volwassenen zijn mijn vertalingen van de romans van Gerbrand Bakker vrij bekend, die hebben ook belangrijke prijzen gewonnen in Ierland en Engeland.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Circa 65, waarvan ongeveer een derde van de titels kinderboeken zijn, een derde romans en een derde poëzie.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Ik vind de uitdaging heel fijn en het plezier dat je krijgt als het lukt om een mooi boek over te zetten naar je eigen taal. Ik houd ervan om iets te maken, iets waardevols helpen toe te voegen. Een goed boek heeft voor mij nog altijd een soort magie en het verbaast me nog steeds dat ik daaraan heb mogen bijdragen.

Het nadeel van vertalen is dat het een solitair beroep is, dus je wordt niet door je werk de maatschappij ingetrokken. Als je een gewone baan hebt, ga je dagelijks intensief om met mensen die je niet per se daarvoor uit zou kiezen. Dat vergroot je begrip van een land. Literatuur doet dat ook natuurlijk, maar op een andere, minder directe manier. Als vertaler leer ik de Nederlandse literatuur beter kennen dan Nederland zelf.

Hoe ga je te werk?
Ik maak altijd een eerste integrale versie, die ik dan een aantal keren, misschien vier of vijf, herschrijf, altijd van begin tot einde. Als het mogelijk is, leg ik de vertaling tussendoor graag een tijd weg, om er opnieuw met frisse ogen naar te kunnen kijken.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Heel veel woordenboeken, zowel Engels als Nederlands, digitaal en papier. Niet alleen vertaalwoordenboeken, maar ook eentalige woordenboeken zoals de Dikke Van Dale en de Oxford English Dictionary, en verder ook specialistische woordenboeken zoals rijmwoordenboeken, of een woordenboek met geschikte bijvoeglijke naamwoorden. Ik kijk ook graag naar bestaande vertalingen van hetzelfde boek in het Duits en soms het Frans. Natuurlijk ook: Google, Google en nog eens Google. Ook Ngrams. Vrienden en collega’s. Engelstalige familieleden. Alles wat ik erbij kan pakken!

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
A-pond-full-of-inkIk ben vrij tevreden over mijn vertalingen van de gedichten van Annie M.G. Schmidt, waarvan een aantal zijn samengebracht in A Pond Full of Ink / Een vijver vol inkt, met illustraties van Sieb Posthuma. Perfectionistisch als ik ben, zie ik natuurlijk ieder keer weer mogelijkheden voor verbeteringen, maar sommige gedichtvertalingen staan heel stevig.

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?
De laatste strofe uit Annie’s De mislukte fee. Dit is het origineel:

Ze heeft een gouden slaapsalet
en gouden muiltjes voor haar bed.
En alle heren aan het hof
die knielen voor haar in het stof.
Waaruit een ieder weer kan lezen
dat men als fee mislukt kan wezen
maar heel geslaagd kan zijn als spree.
Dit stemt ons dankbaar en tevree.

In het Engels werd het:

She has a golden bedroom suite,
and golden slippers on her feet,
and dukes and princes, lords and all
are gladly at her beck and call.
If nothing else this goes to show:
A total misfit as a fairy
can be a big hit as a raree.
That kind of thing is nice to know.

Wat was je grootste vertaalblunder?
Ik heb in een boek ooit een paar foutjes gemaakt omdat een deel van de tekst als een soort commentaar in een klein lettertype gedrukt was. Destijds had ik had nog niet in de gaten dat ik aan mijn eerste leesbril toe was. Daardoor heb ik een paar woorden fout gelezen, en als je een keer iets fout gelezen hebt, is het gemakkelijk om dat foutje bij herlezing nog een keer te maken. Gelukkig wordt dat boek binnenkort herdrukt en mag ik de fouten verbeteren. En nu heb ik uiteraard een hele scala van leesbrillen van verschillende sterktes bij de hand, die ik dan pak afhankelijk van lettertype, belichting en weersomstandigheden.

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Bij het vertalen probeer ik steeds de auteur te volgen, dus het is telkens een kwestie van de schrijver nadoen. Je moet de schrijver niet kinderlijker of volwassener maken dan hij of zij is. Dat denk ik, in ieder geval.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?The-cat-who-came-in-off-the-roof
O, zo velen! Maar soms komt een kans om een hervertaling te maken, zoals met Minoes. Dat maakte me heel blij. Nog een boek dat ik graag zou willen hervertalen is Annetje Lie in de holst van de nacht. Het werk van Paul Biegel lonkt ook.

Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Ik ken al een aantal Engelstalige uitgevers met wie ik werk. Soms word ik bij anderen aanbevolen, bijvoorbeeld door het Letterenfonds of Nederlandse uitgevers. Ik ga ook soms naar de London Book Fair, waar ik uitgevers kan ontmoeten.

Waar werk je op het moment aan?
Momenteel heb ik geen kinderboeken onder handen, maar ik ben net klaar met een vertaling van Superguppie van Edward van de Vendel.

Wat lees je in je vrije tijd?
Om te relaxen lees ik graag Engelstalige romans. Dat helpt mij ook om mijn literair Engels op peil te houden. Recentelijk bijvoorbeeld heb ik Lincoln in the Bardo gelezen, een bijzonder vreemd, grappig en ontroerend boek. Soms lees ik ook Engelse vertalingen om te zien hoe mijn collega’s het doen. Een voorbeeld hiervan is Roy Jacobsens prachtige The Unseen in een erg mooie vertaling van Don Bartlett en Don Shaw.

(foto David Colmer © Michele Hutchison)

Merel de Vink: “Het vertalen van kinderboeken vind ik een van de leukste dingen die er is!”

Al zo lang als ik me kan herinneren hou ik van het lezen van kinderboeken. Tijdens mijn studie Duits aan de Universiteit Leiden en tijdens mijn werk bij uitgeverij Lemniscaat werd mijn liefde voor kinderboeken en taal alleen maar groter. Inmiddels heb ik al ruim vijf jaar mijn eigen bedrijf Leesvink waarmee ik bij basisscholen een goede schoolbibliotheek opzet. Het vertalen van kinderboeken vind ik een van de leukste dingen die er is; als mijn schema het toelaat doe ik het heel graag!

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
In 2008 maakte ik mijn eerste prentenboekenvertaling. Toen werkte ik nog bij Lemniscaat en ging simultaan met de bureauredacteur een prentenboek vertalen. Dit was het boek Welterusten sterren van Anu Stohner. We legden onze vertalingen naast elkaar en kozen de beste formuleringen uit voor de definitieve vertaling. Toen ontdekte ik dat ik wel aanleg heb voor vertalen en dat ik het ook erg leuk vind!

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Coolman-en-ikIk denk de vertaling van 3 boeken over Coolman. Coolman is de imaginaire vriend van de jongen Kay, die zelf een beetje een angsthaas is, maar doordat hij zich gesterkt voelt door de goede adviezen van Coolman durft hij meer dan hij denkt. Een heel grappige serie!

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ik heb 17 boeken vertaald, de meeste van het Duits naar het Nederlands, een paar prentenboeken vanuit het Engels. Daarnaast vertaal ik regelmatig pixi-boekjes (dat zijn mini-prentenboekjes) vanuit het Duits.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Ik wil mezelf niet echt ‘vertaler’ noemen. Ik ben meer een enthousiaste ondernemer die af en toe een boek vertaalt…

Hoe ga je te werk?
Mijn werkwijze is heel afhankelijk van het soort boek. Bij dikkere jeugdboeken lees ik eerst het boek, maak dan een ruwe opzet/vertaling en daarna ga ik finetunen. Bij prentenboeken mag vaak meer: bijvoorbeeld namen veranderen die anders ‘te Duits’ klinken, en ook de tekst hoeft vaak niet één op één vertaald te worden. Een prentenboekenvertaling doet meer een beroep op mijn creativiteit.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Woordenboek, Google Maps (ik wil graag weten hoe de omgeving eruitziet waar het verhaal zich afspeelt) en ik vraag ook regelmatig advies aan andere vertalers.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Tja, dat is een lastige. Ik heb het vertalen dus niet als ‘corebusiness’ dus het moet altijd ergens tussendoor. Bij grotere projecten/dikkere boeken kannibaliseer ik vaak op mijn slaap. Heerlijk om ’s nachts rustig te kunnen werken zonder afleiding van mailtjes, telefoontjes, klanten, vertegenwoordigers, man, kinderen….

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Het mooiste compliment dat ik ooit kreeg was: ‘Ik had helemaal niet door dat ik een vertaling las.’ Daar zit volgens mij de crux: een boek zo vertalen dat het geen vertaling lijkt.

Over welke vertaling ben je het meest tevreden?
Achter-de-stilteMijn allereerste ‘echte’ vertaling was het boek Achter de stilte dat ik voor Lemniscaat vertaalde. Een prachtig maar heftig boek over een meisje dat misbruikt wordt door haar opa, maar ook een mooi subtiel liefdesverhaal. Dit was een zeer ingewikkelde klus, want ik leefde zo erg mee met de hoofdpersoon dat ik soms hardop tegen haar praatte tijdens het vertalen. Dit heeft er denk ik erg raar uitgezien…

Ik was supertrots dat dit boek in de Volkskrant maar liefst 5 sterren kreeg van recensent Pjotr van Lenteren. Hij noemde mijn vertaling ‘smetteloos!’ Het voelde echt alsof ‘mijn kind’ goedgekeurd was. Wel een heel lastig boek voor de verkoop: je geeft een kind niet gauw een boek met zo’n thema voor zijn verjaardag, maar dat is een zorg voor de uitgever…

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Kat-met-een-geheime-missieTechnische dingen vind ik lastig om te vertalen, bijvoorbeeld hoe een machine werkt. Voor het boek Winston, Kat met een geheime missie van uitgeverij De Fontein moest ik vertalen hoe een MRI-scan gemaakt wordt en hoe zo’n apparaat technisch gezien werkt. Daar heb ik wel wat YouTube-filmpjes voor bekeken!

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
Ik had wel graag een boek van Erich Kästner willen vertalen, zoals bijvoorbeeld Dubbele Lotje.

Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Ik acquireer nooit voor vertalingen, veel redacteuren weten me gelukkig zelf te vinden! Ik loop al een flink aantal jaren rond in de kinderboekenwereld, dus ik heb inmiddels een flink netwerk.

Zie je dingen veranderen in het vak?
Wat ik signaleer is dat gelukkig steeds meer uitgevers vertalen niet meer zien als een huisvrouwenbaantje of afgeleid werk, maar dat ze wel degelijk de meerwaarde zien van een goede vertaler ten opzichte van een matige of slechte vertaler.

Maak je je wel eens zorgen over computervertalingen? Zullen die jouw werk overbodig maken?
Nee, daar maak ik me totaal geen zorgen over. Eerder over het aantal zeer goede kinderboekenvertalers die niet meer piepjong zijn. Zijn er wel genoeg getalenteerde jongere vertalers om straks het stokje over te nemen?

Hoe zou de wereld eruitzien zonder kinderboekenvertalers?
Ik schreef onlangs een blogje over het belang van goede schrijvers en vertalers voor kinderen.

Waar werk je op het moment aan?
Ik ben nu bezig met een prentenboek voor uitgeverij De Vier Windstreken. Het is een lief verhaal over honden in het asiel.

Wat lees je in je vrije tijd?
Het allerliefst lees ik kinderboeken. Meestal meerdere tegelijk. Ik heb net Code Kattenkruid van Jacques Vriens uit en ben zojuist begonnen met Winterhuis Hotel, vertaald door Imme Dros. Maar ook een fijne thriller op z’n tijd schuw ik niet. Ik ‘moet’ voor mijn werk voor schoolbibliotheken sowieso heel veel lezen om bij te blijven en om mijn klanten goed te kunnen adviseren over hun boekencollectie.

Esther Ottens: “Ik ben er pas geleidelijk achter gekomen wat een moeilijk vak vertalen eigenlijk is”

Ik ben 52 jaar, ik woon in Haarlem en ben getrouwd met W, die ook vertaler is, onder andere van de Grijze Jager en Broederband, maar ook van nog veel meer dingen die niets met kinderboeken te maken hebben. We zitten allebei thuis te werken, maar wel in aparte ruimtes, dus niet op elkaars lip.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik heb na school Vertaalwetenschap gestudeerd, aan de Universiteit van Amsterdam. Die studie bestaat helaas allang niet meer. Daarna ben ik begonnen met vertalen, dat was in… 1990 ongeveer. Ik begon bij een vertaalbureau, waar ik ook veel redactiewerk deed. We werkten er vooral aan reisgidsen, kookboeken, hobbyboeken – dat soort dingen. In 1999 (dat weet ik dan weer wel precies) bracht W mij in contact met uitgeverij Gottmer en mocht ik mijn eerste jeugdboek vertalen. Dat was Weggelopen van Evelyn Lau. Ik durf nu niet meer in dat boek te lezen, eerlijk gezegd. Ik ben er pas geleidelijk achter gekomen wat een moeilijk vak vertalen eigenlijk is.

WonderWelke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Ik denk Wonder van R.J. Palacio. Dat is in elk geval het boek waarover kinderen me het meest mailen, bijvoorbeeld omdat ze er een boekbespreking over willen houden. Het boek is ook verfilmd, dat scheelt natuurlijk.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Nu moet ik even voor de kast gaan staan om te tellen. Honderdvijftien. Ik geloof het eigenlijk zelf niet. En dat zijn alleen de kinder- en jeugdboeken. Er zitten wel prentenboeken bij, en een heleboel series, zoals de Wilde Kippenclub, Gossip Girl, de Kevertrilogie en de Spokenjagers.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Heel fijn vind ik het dat ik me mag onderdompelen in al die mooie, geestige, ontroerende en spannende verhalen. Ik hoef ze niet zelf te verzinnen, maar ik mag er met mijn woorden een bijdrage aan leveren. Ik leen de schrijvers mijn stem en dat beschouw ik als een groot voorrecht. En het allerfijnst is puzzelen op problemen waarvoor zich niet zo een, twee, drie een vertaling aandient.

Het minst fijne vind ik de deadlines. Soms zijn ze zo krap dat ik me meer een boekhouder voel dan een boekvertaler, precies mijn bladzijden per dag turvend, hoeveel ik morgen moet inlopen als ik gisteren en vandaag niet genoeg ben opgeschoten… Het is altijd zoeken naar het evenwicht. Als ik dit boek moet vertalen in zoveel tijd, kan ik er dan nog plezier aan beleven? Of kan ik beter nee zeggen? Het allerfijnste, het puzzelen, kost namelijk tijd, en als die er eigenlijk niet is, verandert het allerfijnste in een bron van stress.

Hoe ga je te werk?
Meestal begin ik met lezen… maar niet altijd. Soms kies ik ervoor om het boek juist niet eerst te lezen omdat ik het leuker vind niet precies te weten wat me te wachten staat. Zo maak ik het lekker spannend voor mezelf. Dit heeft wel eens als nadeel dat ik onder het vertalen het overzicht een beetje kwijtraak, maar dan maak ik gewoon de eerste versie van mijn vertaling af en lees ik het boek daarna alsnog een keer in z’n geheel in het origineel.

Eerst maak ik een soort ‘klad’.  In dat klad staan allerlei mogelijke vertalingen van woorden of zinnen, het wemelt van de sterretjes en vraagtekens, en ook zit er van alles in waar ik geen beslissing over kan nemen omdat ik nog niet weet wat ik verderop in het boek zal doen. Ik vertaal per bladzijde. Voor ik aan de volgende begin, lees ik de vorige in het origineel nog eens heel zorgvuldig door, om te checken of ik niets ben vergeten en alles wel goed heb begrepen.

Als het klad af is, laat ik het het liefst een weekje of twee liggen. ‘Sudderen’ noem ik dat. Helaas is daar niet altijd tijd voor, maar als het lukt is het fijn, want een beetje afstand nemen kan geen kwaad voor ik verderga. Of liever: opnieuw begin. Ik begin weer bij bladzijde 1 en loop de hele vertaling zin voor zin na. Dit is de fase van keuzes maken en knopen doorhakken. Ik heb het origineel ernaast om te voorkomen dat ik er al te ver van af raak. In deze fase werk ik meestal per hoofdstuk. Heb ik een hoofdstuk eenmaal helemaal met de stofkam doorgewerkt, lees ik het nog een keer door, nu zonder het origineel ernaast, zoveel mogelijk als lezer, letterlijk achterover leunend, met mijn armen over elkaar – tot ik natuurlijk ergens over struikel en zie dat het toch anders moet. Soms voel ik me aan het eind van deze fase zeker genoeg van mijn zaak om de vertaling op de sturen aan de uitgever, een andere keer zit het me nog niet helemaal lekker en lees ik de hele boel in z’n geheel nog een keer.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Ik heb een abonnement op de online woordenboeken van Van Dale, waar ook de Oxford English Dictionary bij zit. Verder gebruik ik de online Duden (Duits woordenboek) veel, en Het juiste Woord, dat nog steeds alleen in papieren vorm bestaat. Synoniemen.net staat altijd open in mijn browser. Ik kom vaak op de website van Onze Taal voor taaladvies. En in het algemeen struin ik natuurlijk het hele internet af op zoek naar de informatie die ik nodig heb om te snappen waar het in mijn boeken over gaat. Ik vind Codenaam-VerityGoogle-afbeeldingen een fantastische vinding, en Google Maps (met Streetview!) komt ook vaak goed van pas. Ik begrijp sowieso bijna niet meer hoe ik kon vertalen toen er nog geen internet was. Maar nog net zo belangrijk als altijd zijn de mensen om me heen die ergens verstand van blijken te hebben en het leuk vinden om hun kennis te delen, zoals de benedenbuurman de piloot, die me reusachtig heeft geholpen toen ik worstelde met de vliegenierskunsten van Maddie in Codenaam Verity van Elizabeth Wein.

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Ik word om 7 uur wakker en begin met drie kwartier meditatie. Dan ga ik ontbijten en daarna zet ik mijn laptop aan. Ik bekijk eerst de post, die beantwoord ik zoveel mogelijk en dan ga ik aan het werk. Ik werk tot ongeveer 12.30 uur, waarna ik uitgebreid pauze neem om te lunchen en bijvoorbeeld boodschappen te doen of iets anders wat in huis moet gebeuren. Een tijdje achter de computer vandaan. Rond 14 uur ga ik weer verder. Als ik lekker opschiet stop ik om een uur of vijf, als het traag gaat, werk ik wat langer door.

Nu heb ik een dag beschreven waarop er niets geks gebeurt. Maar als je thuis werkt en geen baas hebt, komen er wel makkelijk dingen tussen. Dus vaak loopt de dag toch weer net even anders.

Welke vertaling vond je het moeilijkst?
Wit-konijn-rode-wolfHet moeilijkst vond ik absoluut Wit Konijn Rode Wolf van Tom Pollock, over de zeventienjarige Peter die aan een angststoornis leidt en op een kwade dag zijn moeder vindt in een plas bloed en er vervolgens tot zijn grote paniek ook nog achter komt dat zijn zus, zijn steun en toeverlaat, zoek is. Wat volgt is een krankzinnig verhaal over geheimen uit het verleden, waarbij niemand is wie hij leek te zijn en je je als lezer (en vertaler!) steeds afvraagt wat écht gebeurt of is gebeurd en wat uit de angstige geest van Peter voortkomt. Maar het grootste probleem voor mij was dat Peter een groot wiskundetalent is en hij voortdurend wiskunde gebruikt om grip te krijgen op de werkelijkheid. Laat ik nu helemaal niets met wiskunde hebben. Voor dit soort situaties zijn er gelukkig altijd hulplijnen. Een vriend heeft grote stukken van mijn vertaling meegelezen, me waar nodig gecorrigeerd – en een he-le-boel uitgelegd.

Wat was je grootste vertaalblunder?
Ik,-CorianderDat is een makkelijke. Inmiddels kan ik eraan terugdenken zonder dat ik het warm krijg, maar wat vónd ik het erg. W las onze dochter op een avond voor uit Ik, Coriander van Sally Gardner, dat ik jaren eerder had vertaald, toen zij er nog te klein voor was. Coriander leeft in het Engeland van de zeventiende eeuw, in de tijd van de burgeroorlog tussen de aanhangers van koning Karel I en de aanhangers van het parlement. Man en kind lagen op bed in onze slaapkamer toen ik argeloos door de gang liep en hem ineens hoorde zeggen: ‘Ik bel de dokter!’ Of woorden van die strekking. Ik zakte bijna door de grond. ‘Huh? Wát zei je?’ vroeg ik nog. Maar ik had het natuurlijk heel goed gehoord.

Wat vind je over het algemeen lastig om te vertalen?
Wat ik echt verschrikkelijk lastig vind en ook niet zo leuk – hoewel dat niet per se met elkaar te maken heeft – zijn actiescènes. Van die scènes waarbij er van alles tegelijk gebeurt en heel veel achter elkaar en je maar voor je moet zien hoe het allemaal gaat en wie wat en hoe… In Liquidator van de vreselijk leuke Andy Mulligan (van Trash – ook verfilmd) zit een onmogelijk hoofdstuk dat zich afspeelt helemaal bovenin een theaterzaal, op die stellage waaraan de lampen hangen en zo. Een soort Cirque du Soleil krijg je dan. Uiteindelijk heb ik Andy zelfs moeten vragen om één detail voor me te tekenen, omdat ik er echt niets van snapte. ‘Ik kán helemaal niet tekenen,’ protesteerde hij, maar gelukkig deed hij toen toch een poging en dat hielp enorm.

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Mississippi-is-van-mijIk moet nu denken aan Mississippi is van mij van de Duitse schrijfster Cornelia Funke. Dit verhaal speelt zich af ergens op het Duitse platteland, wat er voor de handeling helemaal niet toe doet. Wel komen er natuurlijk allerlei zogenaamde realia in voor: verschijnselen of begrippen die horen bij een bepaald land of een bepaalde cultuur. Denk aan het eten dat mensen eten, of hoe de dingen op school in z’n werk gaan. Voor de Duitse kinderen die dit boek lezen zijn al die zaken vanzelfsprekend; ze hoeven zich niet af te vragen wat de schrijfster bedoelt omdat ze bij hun eigen leefwereld horen. Ik vind dat een Nederlands kind mijn vertaling op dezelfde manier moet kunnen lezen, dus zonder met zijn of haar aandacht te blijven haken aan iets wat het niet kent. Daarom heb ik bij dit boek de handeling zo onopvallend mogelijk verplaatst en Nederlandse realia in de plaats gezet van de Duitse. Ook de namen van de personages heb ik aangepast. Dit doe ik trouwens wel vaker, zeker als een boek ook heel goed kan worden voorgelezen. Het is vervelend als (voor)lezers struikelen over tongbrekende buitenlandse namen. Soms kan er dan geen Nederlandse naam voor in de plaats komen, maar wel een makkelijker lees- en uitspreekbare Engelse of Duitse naam. Ik heb niet héél veel ervaring met vertalen voor volwassenen, maar deze dingen heb ik daarbij in elk geval nog nooit gedaan.

Van welke schrijver zou je graag eens een boek vertalen?
Dat is een schrijver van wie ik al iets heb vertaald, maar hij is de eerste die me bij deze vraag te binnen schiet. Ik las ooit een prachtige roman van de Duitse schrijver Finn-Ole Heinrich: Räuberhände, over twee vrienden die na hun eindexamen een beetje met hun ziel onder hun arm lopen en besluiten om in Turkije op zoek te gaan naar de onbekende vader van een van de twee. Ik heb een paar uitgevers op dit boek gewezen, in de hoop Het-leven-is-een-pannenkoekdat ze het net zo mooi zouden vinden als ik en dat ik het dan mocht vertalen. Dat werd jammer genoeg niets. Veel later werd me gevraagd of ik van Finn Ole de boeken over Maulina wilde vertalen. Ik blij natuurlijk. Omdat Maulina heel leuk en lief en ontroerend en geestig is, maar ook omdat ik dacht: misschien wordt het zo toch nog eens wat met die Räuberhände. Over Maulina zijn drie boeken geschreven. Maulina’s ouders zijn gescheiden, haar vader is ergens anders gaan wonen en haar moeder is ernstig ziek en voor Mauwlien (nu maar even in het Nederlands) staat de wereld finaal op zijn kop. Het hele verhaal eindigt heel verdrietig maar ook heel hoopvol – alleen besloot de uitgever dat boeken 1 en 2 te weinig verkocht waren om boek 3 ook nog uit te geven. Dat vond en vind ik nog steeds heel vreselijk. Het verhaal van Mauwlien blijft nu voor altijd in de lucht hangen. Haar Nederlandse lezers (oké, het waren er maar een paar, maar toch) zullen nooit weten hoe het afloopt. Dus: graag deel 3 van Maulina, en dan alsnog die Räuberhände (maar alleen Maulina 3 is ook goed).

Waar werk je op het moment aan?
Op dit moment werk ik aan het nieuwe boek van Cornelia Funke. Het heet Pan’s Labyrinth en het is gebaseerd op de film van Guillermo del Toro uit 2006. Het is een fantasyverhaal dat zich afspeelt in Spanje in 1944, dat de geschiedenis van het verzet tegen generaal Franco combineert met het sprookje van prinses Moanna, dochter van de koning van het Onderaardse Rijk, die nieuwsgierig is naar de bovenwereld, ontsnapt aan haar bewakers en door de zon verblind haar geheugen verliest. Van de Duitse Cornelia Funke heb ik al een heleboel boeken vertaald, het bijzondere deze keer is dat ze het boek in het Engels heeft geschreven.

Hannie Tijman: “Ik vertaal al sinds 1968”

Ik ben mijn pensioengerechtigde leeftijd allang voorbij, en oma van vier kleindochters, in leeftijd variërend van 22 tot 9 jaar. Ik vertaal al sinds 1968, maar behaalde pas in 1987 mijn diploma tolk/vertaler. Tot circa 2000 vertaalde ik meest van het Nederlands naar het Engels, en dan vaak technische rapporten. Na het overlijden van mijn man ben ik overgestapt op vertalingen van het Engels naar het Nederlands (dat kostte minder energie). Rond 2009 ben ik de eerste boeken gaan vertalen (theologie). Een jaar later kwamen er Young Adults bij. Het eerste echte kinderboek (8-12 jaar) dateert van 2018. Wel had ik al eerder een kinderbijbel vertaald.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik ben in 1968 begonnen, maar pas in 1987 was ik officieel tolk/vertaler EN/NL/EN. Het eerste boek dat ik vertaalde was geen kinderboek. Het boek bestond uit Bijbelstudies van ‘Brother Yun’, een christen die om zijn geloof is vervolgd.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?
Vijf-kinderen-en-HetIk denk de boeken van Anne van het Groene Huis. Maar het zou me niet verwonderen als ook het recent vertaalde boek Vijf kinderen en Het van E. Nesbit (geschreven in 1902! Nesbit is meer bekend van The Railway Children) het goed gaat doen. Er zijn al diverse mooie recensies van het boek.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Ik schat een stuk of 26.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Het fijnst vind ik dat je op je eigen tijd en in je eigen ritme kunt vertalen. Niemand die je op je vingers kijkt…

Het minst fijn vind ik altijd het eerste hoofdstuk van een nieuw boek – je moet weer proberen ‘erin’ te komen en je inleven in de personages. Dat kost me altijd wat tijd.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Ik maak vooral gebruik van internet om de juiste vertaling voor een woord te vinden. Tevens heb ik altijd een paar ‘meelezers’ die per hoofdstuk meelezen en commentaar geven op mijn vertaling. Komen we er dan nog niet uit, dan is er nog altijd de Boekvertalersgroep.

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Dat mensen niet merken dat het een vertaling is. Dat houdt in dat de vertaling soepel moet lopen, geen vreemde zinswendingen bevat, niet te lange zinnen. Het grootste compliment dat ik kan krijgen, is wanneer mensen zeggen: “Ik kon niet merken dat het een vertaling was.”

Welke vertaling vond je het moeilijkst?
Ik vond de boeken van Anne best moeilijk te vertalen; er kwamen veel onbekende woorden in voor. Vooral het eerste deel stond ook bol van de plantennamen. Al heb ik wel begrepen dat sommige woorden die Montgomery gebruikte, zelfs voor  ‘natives’ onbegrijpelijk zijn! Ook waren er veel natuurbeschrijvingen, niet bepaald mijn sterkste kant!

Is er verschil tussen vertalen voor kinderen/jongeren en vertalen voor volwassenen?
Dat ligt eraan… Is het een modern boek, dan zul je je het jargon van de jongeren eigen moeten maken. Is het een wat ouder boek (zoals Anne van rond 1910, of Vijf kinderen en Het van 1902) dan moet je geen moderne woorden gebruiken, al moet je opletten dat je wel woorden gebruikt die ‘de jeugd van tegenwoordig’ kent. Het moet geen oubollig iets worden. Ook zullen je zinnen voor kinderen/jongeren korter dienen te zijn dan voor volwassenen.

Welk boek dat door iemand anders vertaald is, had je zelf graag willen vertalen?
De serie van Het kleine huis op de prairie van Laura Ingalls Wilder.

Welk boek dat nog niet vertaald is, wil je graag vertalen?Anne-van-het-Groene-Huis
De resterende boeken van Lucy Montgomery. Rond 1980 zijn in Nederland alleen de eerste drie boeken van Anne vertaald (in zes delen). De resterende niet.

Hoe kom je in beeld bij uitgevers?
Ik heb het tot nu toe bijna altijd gehad van mond-tot-mondreclame.

Hoe zou de wereld eruitzien zonder kinderboekenvertalers?
Een stuk minder fascinerend!

Waar werk je op het moment aan?
Het derde deel van Anne van het Groene Huis (Anne of the Island).

Wat lees je in je vrije tijd?
Lichte lectuur.

Maria Postema: “Ik wist al op mijn vijftiende dat ik kinderboekenvertaler wilde worden”

Ik ben Maria Postema, 37 jaar, en ik woon in Utrecht met mijn vriend Mark en mijn kat George. Ik heb Engelse Taal en Cultuur en Film- en Televisiewetenschappen gestudeerd aan de Universiteit van Utrecht en ik ben nu zo’n twaalf jaar kinderboekenvertaler – het leukste beroep ter wereld, als je het mij vraagt. Ik vertaal van het Engels naar het Nederlands, en dan vooral romans voor jongeren (YA – young adults), maar ook boeken voor jongere kinderen.

DertiendaghTegenwoordig ben ik ook schrijver: in 2017 verscheen mijn jongerenroman Dertiendagh, die ik samen schreef met Maarten Bruns, bij uitgeverij Leopold, en op dit moment werken we aan een tweede boek. Als ik niet aan het vertalen of schrijven ben, maak ik muziek (ik drum in de band Le Garage), zit ik in de bioscoop, ga ik sporten, spreek ik af met vrienden of lees ik een boek.

Wanneer ben je begonnen met vertalen? Wat was je eerste vertaling?
Ik ben al tijdens mijn studie gaan vertalen, toen vooral tijdschriftartikelen en een boek met zeilverhalen. Mijn eerste jeugdboekenvertaling was (een deel van) Twilight van Stephenie Meyer. In datzelfde jaar vertaalde ik ook Om de wereld te redden van Sam Mills en De roep van de wilde kat van Linda Newbery.

Welke vertaling van jou is het bekendste, denk je?Twilight
De Twilight-serie van Stephenie Meyer en De Hongerspelen-trilogie van Suzanne Collins.

Hoeveel boeken heb je inmiddels vertaald?
Op dit moment kom ik – als ik goed geteld heb – op 62 boeken.

Wat vind je het fijnste aan vertaler zijn? En wat vind je het minst fijne?
Ik wist al op mijn vijftiende dat ik kinderboekenvertaler wilde worden. Ik houd heel erg van taal, van boeken en lezen, en van taalpuzzels en –spelletjes. Bij vertalen komt dat allemaal samen. Ik vind het heerlijk om helemaal in een boek te kruipen en met de woorden van een schrijver aan de slag te gaan. Minder fijn is het – soms – dat je meestal in je eentje werkt en dus niet even kunt overleggen met collega’s. Bovendien kan het ook gezellig zijn om af en toe tegen iemand anders te praten dan de kat. Om dat probleem op te lossen huur ik een kantoorruimte met andere mensen, onder wie ook een aantal vertalers. Zo heb ik toch nog een soort collega’s.

Hoe ga je te werk?
De uitgever vraagt of ik een bepaald boek voor hen wil vertalen. Soms lees ik het dan eerst, maar vaak is er nog geen manuscript en moet ik op basis van de samenvatting van de uitgever (en mijn agenda) beslissen of ik het wil vertalen of niet. Als het boek er is, lees ik het eerst helemaal. Dan let ik natuurlijk op het verhaal, maar ook alvast op woordgrapjes en andere dingen die ik tijdens het vertalen ga tegenkomen. Dan ga ik beginnen met vertalen. Als de eerste versie af is (en dat kan soms wel een paar maanden duren), komen de correctierondes: dan lees ik de vertaling nog een paar keer helemaal door. Tijdens de eerste correctieronde verander ik nog heel veel en hak ik de meeste knopen door op plekken waar ik nog twijfel, bij de laatste rondes let ik vooral nog op foutjes, punten en komma’s. Dan stuur ik het naar de uitgever, die de vertaling nakijkt en weer naar mij terugstuurt. Ik neem alle correcties en opmerkingen door en besluit welke ik doorvoer en welke niet (al dan niet in overleg). Als laatste lees ik ook de eerste proef nog een keer helemaal door: het boek ziet er dan al uit zoals het gedrukt gaat worden. Ik kan dan geen grote dingen meer veranderen, maar wel nog eventuele foutjes eruit halen.

Welke hulpmiddelen gebruik je allemaal?
Woordenboeken: de Van Dale Engels-Nederlands en Nederlands. Synoniemenwoordenboeken als synoniemen.net en Het juiste woord. Engelse woordenboeken als Merriam-Webster, maar ook bijvoorbeeld de Urban Dictionary (superhandig als je een boek met veel straattaal moet vertalen). Daarnaast zoek ik Heel Veel op op internet. En als ik iets moet vertalen over een onderwerp waar ik weinig van weet, bel of mail ik iemand die daar veel verstand van heeft. Een jager als ik bepaalde jachttermen moet hebben, een arts als er dokterstermen in het boek zitten – voor elke vraag is wel iemand te vinden!

Hoe ziet je werkdag er ongeveer uit?
Ik begin meestal met een uurtje sporten. Om 10 uur ben ik dan op kantoor, drink ik een kopje koffie (of twee) en ga ik ondertussen aan de slag. Meestal werk ik door tot een uur of zes. Als een boek heel snel af moet of de deadline komt eraan, dan werk ik soms ook ’s avonds en in het weekend door.

Wat zijn volgens jou de kenmerken van een perfecte vertaling?
Ik weet niet of er perfecte vertalingen bestaan – elke vertaler zal een boek net even anders vertalen, en er is meestal niet één manier de beste. Maar een goede vertaling geeft in prettig leesbaar Nederlands de sfeer en stijl van het boek weer. Ik probeer me tijdens het vertalen altijd af te vragen ‘hoe je iets in het Nederlands’ zegt. Dat betekent dat je de taal waarin het boek geschreven is (in mijn geval Engels) vaak een beetje moet loslaten, want anders krijg je kromme zinnen en zie je wat er oorspronkelijk heeft gestaan. Bij een goede vertaling heb je daar geen last van. En natuurlijk zijn in een goede vertaling ook alle woordspelingen, grapjes en dialogen op een leuke en goedlopende manier vertaald.

De-hongerspelenAan welke vertaling heb je goede herinneringen?
Ik heb aan veel vertalingen goede herinneringen, maar ik weet nog goed dat ik met Twilight bezig was en daar helemaal in opging. Dan kon ik soms echt een beetje verdwaasd over straat lopen en me verbazen over het feit dat al die mensen geen idee hadden van de wereld van het regenachtige Forks waar ik zojuist uit was gestapt. Misschien kwam het doordat het een van mijn eerste vertalingen was, maar ik kijk er met veel plezier op terug. Mijn lievelingsvertaling is denk ik toch De Hongerspelen, omdat ik dat oprecht een heel goed boek vind, en omdat het best bijzonder is dat een boek zo groot wordt. Als vertaler ben je altijd heel trots als een van je ‘kinderen’ het zo goed doet in de wijde wereld… 🙂

Kun je een voorbeeld geven van een fragment waar je erg tevreden over bent?67-seconden
Onlangs is mijn vertaling van 67 seconden van Jason Reynolds verschenen, en boek dat geschreven is in ‘vrijeversvorm’, waarbij heel veel met woorden, klank en rijm wordt gespeeld. Dat was soms best lastig, maar ik ben heel blij met het resultaat. Het is best een rauw boek, over een jongen uit een achterbuurt die wraak wil nemen op degene die zijn broer heeft doodgeschoten. Een van de zinnen waar ik erg tevreden over ben, is:

Get
down
with
some
body

or

get
beat
down
by
some
body.

In mijn vertaling is het geworden:

Word
matties
met
iemand

anders

wordt
het
matten
met
iemand.

Het is én straat, én de woorden lijken – net als in het Engels – erg op elkaar, én de betekenis blijft behouden. Hoera!

Hoe zou de wereld eruitzien zonder kinderboekenvertalers?
Zonder vertalers zouden we een heleboel boeken uit andere landen niet kunnen lezen. Moet je je voorstellen dat er geen kinderboekenvertalers zouden zijn! Dan zouden we nooit kennisgemaakt hebben met Pippi Langkous, met de Gruffalo, met de mol die op zijn kop gepoept werd, met Alice in Wonderland, met Harry Potter, met Katniss Everdeen, de Grijze Jager, Andy en Terry van de Waanzinnige Boomhut, Percy Jackson, Ronja de Roversdochter, de Moemins, de dievenbende van Scipio, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Wat een vreselijk saaie wereld zou dat zijn…!

Waar werk je op het moment aan?
Op dit moment werk ik aan een YA-bewerking van Frankenstein van Mary Shelley. Dat is ontzettend leuk om te doen: ik vind Frankenstein al heel lang een geweldig boek en ik ben heel blij dat straks nog meer mensen het kunnen leren kennen. Ik heb heel veel research gedaan en me ondergedompeld in de negentiende eeuw en het – behoorlijk tragische – leven van Mary Shelley. Het moet begin volgend jaar klaar zijn, en dan gaat Sophie Pluim er nog prachtige illustraties bij maken. Een droomproject!

Wat lees je in je vrije tijd?
Van alles! Ik probeer veel Nederlands te lezen, want dat vind ik een van de belangrijkste dingen als vertaler – lezen in de taal waarnaar je vertaalt. Alleen als je Nederlands echt goed en rijk is, kun je volgens mij alle registers opentrekken om een boek goed te vertalen. Ik lees zowel fictie als non-fictie – ik hou bijvoorbeeld erg van biografieën, maar eigenlijk lees ik bijna alles. De afgelopen tijd heb ik En we noemen hem van Marjolijn van Heemstra en Jij bent van mij van Peter Middendorp gelezen. Nu ben ik bezig in Lethal White van Robert Galbraith, een pseudoniem van J.K. Rowling. Dat is het vierde deel in een serie over privé-detective Cormoran Strike, en dat zijn zulke leuke boeken dat ik er extra lang over probeer te doen, omdat het zo jammer is als het uit is. Daarna heb ik Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells klaarliggen. Tussendoor probeer ik zoveel mogelijk kinderboeken te lezen, om bij te houden wat er uitkomt en omdat ik ook nog af en toe in de Utrechtse Kinderboekwinkel werk.

Je schrijft ook zelf boeken. Als je een ding moest kiezen, wat zou het dan zijn: vertalen of schrijven?
Dan toch vertalen. Schrijven is heel erg leuk en een geweldige aanvulling op het vertalersbestaan, maar ik heb zoals gezegd altijd vertaler willen worden en dat hoop ik ook altijd te blijven.